Bruma

Eduard Johan (Eddy) Bruma (Paramaribo, 30 mei 1925 – aldaar, 6 november 2000) was een Surinaams jurist, schrijver en politicus.

    

Eddy Bruma (1975)Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij gevangen vanwege zijn nationalistische activiteiten. Na die oorlog studeerde hij rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en was hij in 1951 betrokken bij de oprichting van de Surinaamse culturele vereniging Wie Eegie Sanie. Na terugkeer in zijn moederland in 1954 vestigde hij zich als advocaat in Paramaribo. Daarnaast was hij in Suriname ook politiek actief.

Zo stichtte hij in 1959 de Nationalistische Beweging Suriname (NBS) die in 1961 opging in de creoolse Partij Nationalistische Republiek (PNR). De PNR streefde naar onmiddellijke onafhankelijkheid terwijl de eveneens creoolse NPS onder leiding van Pengel dat pas op lange termijn wilde. In dat jaar behaalde de PNR bij de Staten-verkiezingen geen zetel.

Bij de verkiezingen van 24 oktober 1969 haalde zijn partij wel een zetel waarna Bruma als Statenlid oppositie voerde tegen de regering onder leiding van premier Sedney. Verder was hij voorzitter van de in 1970 opgerichte vakbond Centrale 47   (C-47; een tegenhanger van de meer aan de NPS gelieerde Moederbond) totdat hij werd opgevolgd door Fred Derby.

In 1973 was de PNR één van de partijen die deel uitmaakte van de Nationale Partij-kombinatie (NPK) die 22 van de 39 zetels haalde. Na die verkiezingen was Eddy Bruma vier jaar lang de minister van Economische Zaken in het kabinet-Arron terwijl zijn partijgenoot Eddy Hoost minister van Justitie werd.

Tijdens die regeerperiode werd het ideaal van Bruma verwezenlijkt: Suriname werd in 1975 onafhankelijk van Nederland. Bij de parlementsverkiezingen van 1977 lukte het de PNR niet om een zetel te bemachtigen.

Na de staatsgreep in 1980 onder leiding van Desi Bouterse was Bruma de formateur van de regering Chin A Sen waar naast burgers ook leden van de Nationale Militaire Raad (NMR) in zaten. De arts Chin A Sen was lid van de PNR maar tot dan niet politiek actief.

Hierna was hij vooral actief als advocaat en gaf hij soms politieke adviezen. Zo gaf president Wijdenbosch zijn neef Bruma in 1996 de leiding over de evaluatie van de betrekkingen tussen Suriname en Nederland.

Eddy Bruma leidde in de jaren ’50 de culturele organisatie Wie Eegie Sanie, aanvankelijk in Nederland, later in Suriname. Hij was een voorvechter van het Sranan en mederedacteur van het Surinamenummer van het Friese tijdschrift De Tsjerne (1952) waarin zijn verhaal ‘De fuik’ verscheen over de leegloop van het arme kokosdistrict Coronie  – later afgedrukt in de bloemlezingen Verhalen van Surinaamse schrijvers (1989) en Mama Sranan (1999) .

Bruma schreef voorts gedichten (opgenomen in de bloemlezingen Creole Drum (1975) en Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995) en toneelspelen die zich in de slaventijd afspelen: De geboorte van Boni (1952 in Nederland opgevoerd, in 1957 in het Sranan in Suriname) over de guerrillaleider Boni, zoon van een gevluchte slavin, die strijd voerde tegen de koloniale overheerser en de slavernij. Later volgde het stuk Basja Pataka (Suriname 1958). Hij schreef en regisseerde voorts Anansietori met veel dans en muziek uit de creoolse traditie.





       

Charles Désiré Lu-A-Si

Charles Désiré Lu-A-Si,

    

Zijn bijnaam in het verzet was “Shanghai Express” (1911–1942) kwam in 1931 naar Nederland en trouwde aldaar in 1936. Hij zou een exponent zijn geweest van de Bond van Surinaamse Arbeiders.

Reeds in het vroege begin van de Duitse bezetting trad hij toe tot het verzet waarvoor hij verschillende ondersteunende werkzaamheden heeft verricht. Zijn bijnaam in het verzet was “Shanghai Express”, hij hield zich tijdens de oorlog bezig met verzetsactiviteiten, zorgde voor de verspreiding van pamfletten en was medeorganisator van de Februaristaking.

 

 





       

Codjo

Cojo (Codjo), Mentor en Present zijn drie huisslaven die alledrie in Paramaribo wonen. Over deze jongens is niet veel meer bekend dan dat Mentor illegaal Suriname is binnengebracht, dat wil zeggen: nadat de slavenhandel in 1808 verboden was. Hij is in 1812 in Afrika geboren en is ten tijde van het misdrijf twintig jaar oud. Cojo behoort toe aan mevrouw G.P. Heilbron, ‘een vrije negerin met een rug als een molenpaard en zoo kwaad als eene furie’ volgens de schrijver Teenstra. Present is eigendom van mevrouw M.M. Smith.

Over wat de jongens precies hebben misdaan om zo gruwelijk gestraft te worden, bestaan verschillende verhalen. Volgens het nieuwste onderzoek moet tenminste het volgende zijn gebeurd. Cojo, Mentor en Present zijn gevlucht omdat ze iets gedaan hebben waarvoor ze zeker straf zouden krijgen van een van hun meesteressen.

We weten niet wat wat het was, maar slaven kunnen de vreselijkste straffen krijgen, ook voor zoiets kleins als niet genoeg koekjes verkocht hebben voor de meesteres. Ze besluiten te vluchten en zich schuil te houden in het Picornibos, waar meer gevluchte slaven veiligheid zoeken. Maar het leven als gevluchte slaaf is niet gemakkelijk. Het is koud in het bos en er is niet genoeg te eten. Om zich in leven te houden, stelen de gevluchte slaven regelmatig eten uit huizen en magazijnen in de binnenstad. Ook Cojo, Mentor en Present plegen meerdere diefstallen. Dan maken ze een plan om in een keer een grote slag te slaan door eerst als afleiding een brandje te stichten.

Cojo, Mentor en Present worden tegenwoordig niet herdacht als brandstichters, maar als moedige slaven die een daad wilden stellen tegen het onrecht van de slavernij.

Ze zijn nu in de ogen van velen vrijheidsstrijders. Sinds 1993 worden de drie jongens jaarlijks in Paramaribo herdacht. Er wordt dan een plengoffer uitgevoerd en iemand leest een gedicht voor. De Heiligenweg is inmiddels naar hen vernoemd en heet het Kodjo, Mentor en Presenti-pren (plein).

Bron: Ninsee





       

De West

De West’ is een in Suriname verschijnend Nederlandstaligdagblad.

De krant werd op 1 oktober opgericht door William Kraan. De soms antikoloniale stukken die in de krant verschenen zorgden voor conflicten met de overheid. Zo werd in 1913 vervolging ingesteld tegen Kraan vanwege belediging van de gouverneur wat uiteindelijk met een sisser afliep omdat hij gratie kreeg. Voor de Tweede Wereldoorlog had het blad een oplage van circa 1400 stuks. In die periode waren de kranten Suriname en De West de grootste in Suriname. Kraan was in die periode ook lange tijd parlementslid; eerst van de Koloniale Staten en later de opvolger hiervan: Staten van Suriname.

Tijdens die oorlog kregen alle kranten in Suriname te maken met toenemende druk van de toenmalige gouverneur Johannes Kielstra. Deze kreeg na het afkondigen van de staat van oorlog en beleg extra bevoegdheden, die hij gebruikte om meerdere tegenstanders te laten opsluiten, onder wie het Statenlid Wim Bos Verschuur.

Na de oorlog groeide de oplage naar 4000. Het dagblad De West werd in die tijd gezien als de spreekbuis van de NPS.





       

Dobru

R. Dobru (Paramaribo, 29 maart 1935 – aldaar, 17 november 1983), pseudoniem van Robin Ewald Raveles, was een Surinaams dichter, schrijver en politicus (Statenlid voor de PNR en na 1980 een half jaar onderminister voor Cultuur). Zijn pseudoniem betekent: dubbele R, een verwijzing naar de initialen van zijn voor- en achternaam.

Robin Raveles (1971)Als dichter en voordrachtskunstenaar was R. Dobru dé representant van het nationalisme, met name met het gedicht ‘Wan’ (de meeste mensen noemen het ‘Wan bon’ – Eén boom) uit zijn debuutbundel Matapi [Cassavepers] (1965), een gedicht dat door zijn eenvoudige woordkeus en structuur gemakkelijk gememoriseerd kan worden en dat veel Surinamers dan ook van buiten kennen.

Postuum werd hem in 1989 de Gouden Ster van de Revolutie toegekend. In 2006 kreeg hij, eveneens postuum, de Gaanman Gazon Matodja Award. Toen hem eens gevraagd werd of hij leefde van de pen, antwoordde hij: “Ik leef van de revolutie! Ik wil dat de ogen van mijn volk opengaan.”

In november 2013 werd Dobru door de Anton de Kom-Universiteit van Suriname postuum een eredoctoraat toegekend; het was voor het eerst dat de universiteit iemand een eredoctoraat toekende die niet meer in leven was. De bul werd dertig jaar na Dobru’s overlijden in ontvangst genomen door zijn weduwe, Yvonne Raveles-Resida.

Het werd in veel talen vertaald. Dobru stimuleerde velen tot schrijven in het Sranan en Surinaams-Nederlands en werd door velen nagevolgd.

Hij was redactielid van het tijdschrift Moetete (1968-69). Zijn proza in Wasoema [Wasvrouw] verzamelde schetsen uit het leven op een erf van Paramaribo (1967), De plee (wc) en andere verhalen (1968) en de korte roman Oema soso [Enkel de vrouw] (1968) is levendig, maar lijdt aan een teveel aan gepreek. Zijn politieke memoires verschenen in 1969:

Wan monki fri [Een vrije aap]. Hij schreef voorts twee Surinaamse keukenmeidenromans, waaronder Bos mi esesi [zoen mij snel] die vooral belangrijk zijn om hun gebruik van het Surinaams-Nederlands, en een bundel Anansi-Tori [Anansie de spin verhalen] (1979). Zijn poëzie heeft in de vroege jaren enkele zuivere gedichten opgeleverd, maar verviel meer en meer in het afwikkelen van een recept.

Hij speelde in op de politieke actualiteit, bijvoorbeeld met het gedicht ‘Gooi een stoel’ toen er op 11 juni 1979 in de Staten van Suriname een vechtpartij uitbrak waarbij er met stoelen werd gesmeten. De invloed van Cuba, Mao en Kim Il-sung leverden de laatste jaren enkel nog politiek getinte publicaties op.

Dobru schreef altijd over twee vaste thema’s: liefde en revolutie. Met de coup van 1980 ging hij enthousiast mee en hij werd op handen gedragen. Zijn beste gedichten werden bijeengebracht in Boodschappen uit de zon (1982).

Dobru debuteerde in 1965 met de bundel ‘Matapi’, welke zoveel betekent als ‘cassavepers’. In het titelgedicht Matapi wordt een cassavepers aangeschreven; een pers waarmee de schadelijke stoffen uit de cassave worden gehaald, waarna er een soort stijfsel overblijft. Het stijfsel zou de Surinaamse cultuur moeten behouden. De bundel bevat Surinaams-Nederlandse gedichten, gedichten in het Sranan, en enkele korte prozastukken in het Sranan. Hoewel Dobru in eerste instantie enkel in het Sranan schreef, zette hij later Nederlands in om een grotere lezersgroep te bereiken. Javaanse en Hindoestaanse critici hadden zijn werk een ‘Creoolse aangelegenheid’ genoemd. Sranan werd door hen niet gesproken. Sommige gedichten in Matapi zijn erg politiek geladen, andere behandelen het gevoelsleven van Dobru. Een aantal gedichten bevat verwijzingen naar de Winti-religie, waar Dobru een aanhanger van was.

Zijn poëzie en proza in het Sranan hebben er bovendien voor gezorgd dat Sranan meer als ‘volwaardige taal’ werd erkend. Dobru was één van de eerste schrijvers die de orale traditie van het Sranan doorbrak.

R. Dobru raakte al op jonge leeftijd geïnteresseerd in het Surinaams nationalisme. Op school werd hem verboden om Sranan, zijn moedertaal, te praten. Dit had ten gevolg dat hij zich lange tijd schaamde om zich in het Sranan uit te drukken. Hij zegt hierover: “Ik heb duizend strafregels moeten schrijven op de lagere school: ik mag geen Negerengels spreken. Thuis moest je tegen je ouders Nederlands spreken, al spraken ze je in het Surinaams aan. Een keer heb ik het geprobeerd – er is mij door mijn moeder bijna een tand uit de mond geslagen. Ik was oneerbiedig.” Uiteindelijk kwam hij in aanraking met Wie Eegie Sanie, een beweging die het Surinaams en de Surinaamse cultuur wilde bevorderen. Hij zou uitgroeien tot een van de belangrijkste figuren binnen deze beweging.

Van zijn ouders kreeg hij een politieke opvoeding mee. Zijn vader, Josua Raveles, was een tijdlang lid van de Nationale Partij Suriname (NPS) en discussieerde vaak met zijn zoon over de Surinaamse politiek. Later distantieerde hij zich van de harde politiek die de partij er op nahield. R. Dobru sloot zich ook aan bij de NPS en richtte samen met Harrald Axwijk en Theo Uiterloo de daaruit voortkomende partij, de Partij Nationalistische Republiek, op. Voor deze partij werd hij parlementariër. Over de begintijd van de NPS schrijft hij in Wan Monki Fri: “Weinigen hadden toen op 1 september 1961 vermoed, dat wij erin zouden slagen, dwars door sociale, religieuze en raciale groepen heen, onze ideeën eigendom te doen worden van de massa van ons volk. (…) Wij hebben strijd moeten leveren tegen onszelf en onderling, zodat defaitisme niet de overhand nam. Sommigen zijn onderweg gesneuveld. Het duurde te lang. Men werd moe. (…) Langzaam maar zeker kregen wij houvast bij groepen in de gemeenschap, die wij met onze rechtlijnigheid en onze opofferingsgezindheid overtuigden. De beginselen bleven staan. Als sterren van Bethlehem bleven wij daar achter optrekken naar de overwinning.”

Tijdens de eerste regeringsperiode, waar voor de PNR E. Bruma aan deelnam, brak er een aantal stakingen uit. Op 9 februari 1973 werd R. Dobru tijdens een van deze stakingen door een aantal agenten mishandeld. Tijdens de verkiezingen later dat jaar werd hij verkozen tot parlementariër. De PNR voerde inmiddels geen oppositie meer, en werd nu zelf hard aangevallen door met name links-communistische oppositiepartijen. Zelf probeerde R. Dobru zijn idealen zo min mogelijk te verloochenen in het licht van politieke concessies. Hij schreef in deze tijd veel politieke gedichten, waaronder het gedicht ‘Sjaki’, over een parlementariër die na verkiezing zijn volk niet meer in acht neemt.

Na de coup onder leiding van Bouterse in 1980, werd Dobru korte tijd onderminister van cultuur.





       

Douane

Douane

De Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen ook wel Douane Suriname genoemd, is   opgericht op 1 januari 1864. Op die dag is namelijk de Actieve Dienst der Belastingen ingesteld en de Douane is daar onderdeel van. Het woord “douane”is afgeleid van het Arabisch woord “diwan” wat “lijst” betekent en werd voor het eerst gebruikt ten tijde van keizer Napoleon Bonaparte in Frankrijk. Na de tweede wereldoorlog vond de splitsing plaats tussen de Directe en de Indirecte Belastingen.

Het beschermen van ‘slandsgrenzen en de staatsinkomsten, alsook het faciliteren van de handel waardoor de veiligheid en de economische welvaart van Suriname wordt versterkt en verhoogd.

Toentertijd hete de Dienst ‘Controle der Invoerrechten en Accijnzen’.  In de jaren ’70 werd die veranderd in Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen met een inspecteur als hoofd. De aard van de belastingen bij de Douane spreekt voor zich  dat zij onder de Indirecte Belastingen valt.

Het hoofdkantoor en de goederenloodsen aan de voormalige Waagsteiger aan de Waterkant verhuisden naar de Nieuwe Haven die over moderner- en meer havenfaciliteiten beschikt.

In april 1996 werd het hoofdkantoor van de Douane door een felle brand in de as gelegd.

De hedendaagse douaneorganisatie is een flexibele dienst gericht op de uitdagingen van de 21e eeuw zoals globalisatie, computertechnologie enzovoorts. Het doel van de organisatie is zo vlot en efficiënt mogelijk uitvoering te geven van de aan haar toebedeelde taken en bevoegdheden.

De Douane is de organisatie die in Suriname in zijn algemeenheid zorg draagt voor de controle op de juiste heffing van rechten bij in-, uit- en doorvoer van goederen.  De Dienst is er ook verantwoordelijk voor, dat bij het grensoverschrijdende goederen- en personenverkeer ons land niet wordt bedreigd bij de in- uit- en doorvoer van goederen.

Douaneambtenaren zijn belastingambtenaren belast met fiscale en niet fiscale taken bij de in- en uitvoer van goederen. De bevoegdheden voor de uitvoering van taken vloeien voort uit de bepalingen die zijn vastgelegd in de Scheepvaartwet G.B. 1908 no. 63, geldende tekst G.B. 1939 no. 30 en andere wettelijke regelingen waarin de uitvoering is voorgeschreven dan wel is gedelegeerd aan de Douane.





       

Hindustanen

De term “Hindo(e)stanen”, “Hindustanen” of “Hindo(e)stani” sloeg oorspronkelijk op mensen die in Noord-India woonden, langs de Indus. Deze rivier werd in middeleeuws-Perzisch Sindhu genoemd, waarvan de termen “hindoe”, “hindoestaan” en “hindoeïsme” zijn afgeleid.

Na de afschaffing van de slavernij in 1863 weigerden veel voormalige slaven nog langer op de plantages te werken. Suriname, dat toen gekoloniseerd was door Nederland, ging op zoek naar nieuwe en vooral goedkope arbeidskrachten. Contractanten die zich een aantal jaren moesten verbinden tot het verrichten van arbeid in loondienst op de plantages. Zo werden in 1853 Chinezen uit China en Java en Portugezen uit Madeira aangeworven. Toen dit onbevredigend verliep, richtte men de blik op een wervingsterrein waar andere landen wel succes hadden: Brits-Indië. De Engelse en Franse kolonies betrokken daarvandaan al geruime tijd hun plaatsvervangers voor de Afrikaanse slaven.

In 1872 werd een traktaat gesloten met de Engelse regering. Dit werd in Engeland ondertekend door Koningin Victoria op 10 februari 1872, en koning Willem III bekrachtigde het zes dagen later. Op 5 juni 1873 arriveerde het eerste schip met Brits-Indische contractanten, de Lalla Rookh, in Suriname. De 399 passagiers, voor wie bij vertrek uit Calcutta onduidelijk was waar ze precies terecht zouden komen, zetten voet aan wal te Fort Nieuw Amsterdam, thans de hoofdplaats van het district Commewijne.

Het aanwervingscentrum van het koloniaal bestuur van Suriname was in Calcutta, de hoofdstad van Bengalen. Het voornaamste wervingsterrein waren de United Provinces (tegenwoordig Uttar Pradesh en West-Bihar in de Gangesvlakte van Noord-India. Deze streken behoorden tot de dichtst bevolkte gebieden ter wereld, met weinig andere bestaansmogelijkheden dan de landbouw. Voor de werving van de aspirant contractanten maakte men gebruik van wervers (Arkaathi’s). Met valse voorwendselen en mooie beloften haalden de wervers de mensen over om mee te gaan. Vanuit de ‘subdepots’ in Benares, Allahabad, Basti en Muzzafarpur werden zij per trein vervoerd naar de inschepingshaven Calcutta. Van hieruit maakten zij de overtocht per zeil- of stoomschip. Per zeilschip duurde de reis 3 maanden, per stoomschip 6 à 8 weken.

Tussen 1873 en 1916 kwamen ongeveer 35.000 Hindoestanen uit Brits-Indië naar Suriname. De contractanten lieten een armoedig bestaan in India achter zich, maar kregen het in eerste instantie in Suriname niet veel beter. Zij werden zeer slecht betaald, zodat ze ook wel ‘cent-slaven’ werden genoemd. Ongeveer één derde van de immigranten keerde na afloop van hun (vervolg)contract terug naar hun geboorteland. In dezelfde periode kwamen daarnaast ca. 2.500 Brits-Indiërs als vrije immigranten naar Suriname.

Na berichten over hoge sterftecijfers bij de emigranten door onvoldoende medische verzorging, besloot de Brits-Indische regering de emigratie in 1875 te schorsen. Door tussenkomst van de agent-generaal voor de Immigratie Cateau van Rosevelt werd de schorsing in 1878 opgeheven.

Een van de eerste opstanden van Hindoestaanse contractarbeiders tegen het plaatselijke gezag vond plaats in 1879 op de plantages Alliance en De Resolutie. In september 1884 was er verzet tegen een aantal gezagsfunctionarissen op de plantages Zoelen en Zorg en Hoop onder leiding van de vrijheidsstrijder Mathura. Een militair detachement maakte hier een einde aan. Aan de klachten van de arbeiders werd niet tegemoetgekomen. Op Zorg en Hoop brak opnieuw opstand uit onder aanvoering van Ramjanee. Honderd arbeiders met stokken en houwers kwamen voor hun rechten op. Militairen openden van korte afstand het vuur op hen waarbij zeven arbeiders werden gedood. Bijna zes jaar later raakten arbeiders van Zoelen en Geertruidenberg slaags. Marechaussees kwamen met vuurwapens tussen beide waarbij vijf doden en veel gewonden vielen. In 1902 werd op Mariënburg de Schotse directeur Mavor gedood door tweehonderd razende arbeiders onder leiding van Jumpa Ray Garoo. De volgende dag werd tijdens het gerechtelijk onderzoek geschoten op de arbeiders. Hierbij vielen 17 doden en 39 gewonden, van wie er later nog 7 overleden.

In 1916 zette de Britse regering de emigratie van contractarbeiders naar alle delen van de wereld stop, onder druk van de nationalistische beweging onder leiding van Mahatma Gandhi.

De ruim 25.000 Hindoestanen die in Suriname bleven hebben inmiddels ca 300.000 nakomelingen in leven (waarvan ongeveer 120.000 in Nederland).

Het Surinaamse parlement werd in de periode van 1984 tot 2001, 17 jaar lang, voorgezeten door VHP-voorzitter Jaggernath Lachmon. Met Fred Ramdat Misier, president van het Hof van Justitie, tevens waarnemend president van de Republiek Suriname in 1982-1988, en Ramsewak Shankar, president van 1988 tot 1990 leverden de Hindoestanen belangrijke landsbestuurders.
Nickerie (Suriname)

Veel Hindoestanen wonen in het Surinaamse district Nickerie. Het zijn voornamelijk kleine landbouwers en vissers. Dit district stond volgens de sociaal-econoom Rieshma Ramsoedh-Badloe in 2004 wereldwijd in de top drie voor wat betreft het percentage zelfdodingen. Over de periode 2002-2007 probeerden gemiddeld 73 Nickerianen per jaar een einde aan hun leven te maken, en groot aantal maakte daarbij gebruik van eenvoudig te verkrijgen pesticiden. Oorzaak is onder andere de armoede en slechte economische situatie in de regio.Meisjes zien zelfdoding soms als uitweg om aan een gedwongen huwelijk te ontsnappen. Ook overmatig drankgebruik door werkloze mannen is een bekend verschijnsel, dat samenhangt met mishandeling en seksueel misbruik van vrouwelijke gezinsleden.

De traditionele muziek: Hindoestaanse muziek uit Noord-India muzieksystemen zijn gebaseerd op Vedische principes. Een aantal muziekinstrumenten uit India, zoals de dhol, sitar en de tabla, zijn wereldwijd bekend.

Er zijn in Nederland en Suriname diverse radiozenders die in het Hindoestaans gepresenteerd worden. Op deze zenders zijn bekende nummers uit klassieke en moderne Bollywood films te horen. De zenders gaan voornamelijk in op de Hindoestaanse religies. Omdat de meeste luisteraars van Surinaams-Hindoestaanse afkomst zijn wordt zowel het nieuws uit Nederland als het nieuws uit Suriname behandeld.

Er bestaan veel traditionele dansvormen, onder andere de Bharata Natyam, Odissi, Kuchipudi, Kathak en Kathakali. De meeste dansen vertellen een verhaal. Ook zijn er lokale dansvormen bekend zoals Chutney/Baithak.

Hindoestanen kennen vele festivals, zoals het Holi-Phagwa en Diwali van de hindoes en de Ied Ul Fitr (ook bekend als het suikerfeest) en de Ied Ul Adha (ook wel bekend als het offerfeest of Qurbani) van de moslims. De datums van deze feesten verschillen per jaar.

Het Sarnami Hindoestani is de moedertaal van maximaal circa 500.000 Surinamers binnen en buiten Suriname. De circa 150.000 Sarnamisprekers in Suriname wonen in het noordelijk kustgebied. Sarnami Hindoestani wordt ook door vele, met name oudere Surinaamse immigranten in Nederland gesproken.

Het woord ‘Sarnami’ betekent letterlijk ‘Surinaams’. De naam ‘Sarnami Hindoestani’ werd voor het eerst gebruikt in 1961 door J.H. Adhin

De Hindoestaanse literatuur wordt zowel geschreven als oraal overgebracht.

Traditionele Hindoestaanse kostuums zijn de sari, salwar kameez, dhoti, dekurta en de ghagra choli.

In de Hindoestaanse keuken wordt veel gebruikgemaakt vanrijst, granen, peper en specerijen en verse kruiden die tot garam masala’s (aromatische mengsels) gemalen worden. Roti, Phulauri, samosa, bara zijn bekende Hindoestaanse gerechten.

 

 





       

Katwijk

Katwijk is de naam van een plantage in Suriname met een grootte van 364 hectare. Katwijk ligt in het district Commewijne aan de linkeroever van de rivier de Commewijne, tussen de voormalige plantages Wederzorg en Welgelegen.

De plantage van 500 akkers (1 akker = 0,43 hectare) werd door gouverneur Mauricius in 1746 uitgegeven aan de – toen dertienjarige – Alida Maria Wossink (1733-1785) uit Paramaribo, dochter van Andries Wossink (?-1746) en Maria Anna Lemmers (1705-1789). In 1748 trouwde Alida met Christiaan de Nijs die al eigenaar van de plantages Imotapi en Nieuw Ribanika aan de boven-Commewijne was. Door zijn huwelijk werd hij mede-eigenaar van de plantage, die ongetwijfeld door hem is ontgonnen en als koffieplantage is aangelegd. In 1759 werd van de plantage een inventaris opgesteld.

Katwijk was toen al een grote koffieplantage met 159 slaven, en een getaxeerde waarde van HFL. 150.660,-. Na de dood van Christiaan hertrouwde Alida in 1762 met de Raad-Fiscaal Jan Willem van Meel (1741-1771), die Katwijk in 1770 met 200 akkers achterland vergrootte. Naar hem heet de plantage in de volksmond Van Meerie. Het derde huwelijk van Alida Wossink was met Everhardus Jacobus Coetzee (1743-1785).

De militair en schrijver John Gabriel Stedman kende het echtpaar. In zijn dagboek Reize naar Surinamen en de binnenste gedeelten van Guiana beschrijft hij de wreedheid van Alida Wossink tegenover de slaven.

De volgende eigenaren, Johannes Aleydus Swaen en zijn echtgenote Margaretha Johanna Juliaans zijn op de plantage begraven. Naar haar werd de plantage ook Juuliaansi genoemd. Vanaf 1825 tot 1853 was de plantage eigendom van het fonds Willem Gideon Deutz. In al die jaren werd er koffie verbouwd. In 1862, een jaar voor de emancipatie, ging het bezit over aan de arts Julius Jacob Juda (1821-1899). Deze begon met de teelt van cacao. In de jaren dertig van de vorige eeuw werd de N.V. Nieuwe Landbouw Maatschappij Katwijk opgericht als opvolger van de N.V. Katwijk. De eigenaar was H.W. Benz. Bij de maatschappij hoorde ook de buurplantage Welgelegen.

In 1944 zat een groep vrouwen gevangen in het oude ziekenhuisje van Katwijk. De vrouwen waren tussen 7 en 10 oktober 1943 bij een razzia in Paramaribo opgepakt, op verdenking van prostitutie, en werden aanvankelijk opgesloten in Fort Zeelandia. Op Katwijk moesten ze uniformen naaien voor de Surinaamse Schutterij. In april 1944 vertrokken ze naar de plantage Rust en Werk. Hun verblijf op Katwijk wordt beschreven in de roman De koningin van Paramaribo, van Clark Accord.

Op 10 mei 2003 was Katwijk een van de drie plantages die werden bezocht door een delegatie van Eerste – en Tweede Kamer, onder leiding van Eerste Kamervoorzitter Gerrit Braks.

Tegenwoordig (2008) verbouwt men op Katwijk nog Arabica koffie (Katwijk koffie) en citrusvruchten. Daarnaast is er enige veeteelt en wat visserij. De plantage is particulier bezit, en er wonen ongeveer 35 gezinnen – voornamelijk Hindoestanen en Javanen.

 

Bron Wikipedia





       

las Casas

Bartolomé de las Casas (Sevilla, 24 augustus 1484 – Madrid, 17 juli 1566) was een Spaans priester van de orde der dominicanen, de eerste die werd uitgezonden naar de Nieuwe Wereld en de eerste bisschop van Chiapas. In tegenstelling tot veel van zijn collega’s en tijdgenoten nam hij het op voor de inheemse bewoners van het pas door Christoffel Columbus ontdekte land. Hij heeft ervoor gezorgd dat de indiaanse slavernij is gestopt, door keizer Karel V over te halen.

Brevísima relación
Brevísima relación de la destrucción de las Indias.

Las Casas bezocht de Nieuwe Wereld voor het eerst in 1502. In 1512 trok hij naar het pas veroverde Cuba, waar hij een haciënda en enige slaven verkreeg. Vergeleken met de meeste andere Spanjaarden behandelde hij zijn slaven goed. Twee jaar later gaf hij deze bezittingen op en begon zijn activiteiten ter verbetering van de positie van de indianen. In 1522 kreeg hij van keizer Karel V de toestemming een modelkolonie te stichten in Venezuela, een experiment dat na twee jaar mislukte, voornamelijk door het ingrijpen van slavenhandelaren. De las Casas’ inspanningen leidden in 1542 tot de Nieuwe Wetten, waarbij indiaanse slavernij werd verboden en het de conquistadores werd verplicht rekening te houden met het welzijn van de indianen. In 1544 werd hij benoemd tot bisschop van Ciudad Real in Chiapas.

Zijn bekendste werk heet Brevísima relación de la destrucción de las Indias.

Hij schreef dit werk in 1542 (gepubliceerd in 1552) als aanklacht tegen de mishandeling van de indianen. Hij bleef bij het standpunt of geloof dat de volken gekerstend moesten worden en wierp zich op tegen het afslachten en mishandelen van de aangetroffen ‘ongelovigen’.

Hij kreeg het onder meer voor elkaar dat, tijdens het beroemde Dispuut van Valladolid in 1550, waarin hij het opnam tegen Juan Ginés de Sepúlveda die betoogde dat indianen geen ziel hebben en daarom geen mensen zijn, de ‘Indios Bravos’ voortaan als mensen werden erkend. Ditzelfde lukte hem echter niet voor de Afrikanen, waarna vervolgens de weg vrij was voor de slavenhandel. Toen Las Casas de gruwelijkheden onder ogen kwamen die samengingen met de invoer van slaven uit Afrika, keerde hij zich ook hiertegen.

In 1547 keerde hij definitief terug naar Spanje. Hij ging wonen in een dominicanerklooster in Madrid maar bleef zich inzetten voor de indianen. Las Casas heeft ook de samenvatting geschreven van het scheepsdagboek van Columbus. Dit dagboek is verloren gegaan en Las Casas’ samenvatting is dus de meest primaire bron die er nog over is van de ontdekking van Amerika. Hij overleed in 1566.
Receptie

Las Casas wordt gezien als een groot beschermer van de indianen en als een van de eerste voorvechters voor de mensenrechten. De Mexicaanse stad San Cristóbal de las Casas, het vroegere Ciudad Real, is naar hem vernoemd. Onder conservatieve Spaanse historici is hij echter minder populair en wordt hij wel gezien als de initiator van de zwarte legende. Men vergelijkt Bartolomé de las Casas weleens met de Nederlandse Multatuli. Interessant aan zijn visie is dat hij vooral als jurist en niet zozeer vanuit het thomisme redeneerde of slechts ageerde vanuit verontwaardiging. Het middeleeuwse kerkelijke recht leverde hem argumenten voor zijn uiteindelijke positie.

In Spanje wordt Las Casas vooral in conservatieve kringen ook tegenwoordig nog altijd op uiterst kritische en argwanende wijze bekeken. Ramón Menéndez Pidal (1869-1968), de belangrijkste Spaanse historicus van de 20e eeuw, probeerde zelfs in 1963 nog in een omvangrijke studie aan te tonen dat Las Casas geestesziek moet zijn geweest .

Ook aan pogingen – voornamelijk tijdens de Franco-dictatuur tussen 1939 en 1975 – om Las Casas neer te zetten als een kwaadaardige jood die er vanwege zijn vermeende haat jegens het katholieke geloof alles aan gelegen was zijn katholieke vaderland in een kwaad daglicht te stellen, heeft het niet ontbroken. Aldus zou men Bartolomé de Las Casas kunnen beschouwen als de ultieme klokkenluider-avant la lettre, wiens kritiek nog altijd niet ten volle onder ogen is gezien (laat staan geïntegreerd) en ook bijna 450 jaar na zijn dood nog steeds aan het slechte collectieve geweten van zijn vaderland knaagt.

Bron: wikipedia





       

Mentor

Cojo (Codjo), Mentor en Present zijn drie huisslaven die alledrie in Paramaribo wonen. Over deze jongens is niet veel meer bekend dan dat Mentor illegaal Suriname is binnengebracht, dat wil zeggen: nadat de slavenhandel in 1808 verboden was. Hij is in 1812 in Afrika geboren en is ten tijde van het misdrijf twintig jaar oud. Cojo behoort toe aan mevrouw G.P. Heilbron, ‘een vrije negerin met een rug als een molenpaard en zoo kwaad als eene furie’ volgens de schrijver Teenstra. Present is eigendom van mevrouw M.M. Smith.

Over wat de jongens precies hebben misdaan om zo gruwelijk gestraft te worden, bestaan verschillende verhalen. Volgens het nieuwste onderzoek moet tenminste het volgende zijn gebeurd. Cojo, Mentor en Present zijn gevlucht omdat ze iets gedaan hebben waarvoor ze zeker straf zouden krijgen van een van hun meesteressen.

We weten niet wat wat het was, maar slaven kunnen de vreselijkste straffen krijgen, ook voor zoiets kleins als niet genoeg koekjes verkocht hebben voor de meesteres. Ze besluiten te vluchten en zich schuil te houden in het Picornibos, waar meer gevluchte slaven veiligheid zoeken. Maar het leven als gevluchte slaaf is niet gemakkelijk. Het is koud in het bos en er is niet genoeg te eten. Om zich in leven te houden, stelen de gevluchte slaven regelmatig eten uit huizen en magazijnen in de binnenstad. Ook Cojo, Mentor en Present plegen meerdere diefstallen. Dan maken ze een plan om in een keer een grote slag te slaan door eerst als afleiding een brandje te stichten.

Cojo, Mentor en Present worden tegenwoordig niet herdacht als brandstichters, maar als moedige slaven die een daad wilden stellen tegen het onrecht van de slavernij.

Ze zijn nu in de ogen van velen vrijheidsstrijders. Sinds 1993 worden de drie jongens jaarlijks in Paramaribo herdacht. Er wordt dan een plengoffer uitgevoerd en iemand leest een gedicht voor. De Heiligenweg is inmiddels naar hen vernoemd en heet het Kodjo, Mentor en Presenti-pren (plein).

Bron: Ninsee