Nederlandsche Handel-Maatschappij

De N.V. Nederlandsche Handel-Maatschappij, afgekort NHM, werd op initiatief van koning Willem I in Den Haag opgericht op dinsdag 9 maart 1824. Als feitelijke datum van oprichting kan worden genomen de 29ste maart 1824, de dag waarop het Koninklijk Besluit tot oprichting werd vastgesteld. De doelstelling was (Art. 59) “bevordering van handel, scheepvaart, scheepsbouw, visserij, landbouw en (het fabriekswezen)”, in voortzetting van wat tijdens de Franse overheersing van 1795 tot 1813 was ingezet. Het hogere doel was volgens de koning dat de NHM zou fungeren als een “grote hefboom, strekkende tot opbeuring en aanmoediging van de nationale welvaart”. In de praktijk kwam het neer op expansie van de bestaande handel door het inwinnen van gegevens en het zoeken naar nieuwe afzetgebieden, en financiering van industrie en scheepvaart. Door de verbondenheid met de Nederlandse regering speelde de NHM een belangrijke rol in het bevorderen van de handel tussen de Nederlanden en Nederlands-Indië.

De NHM wordt soms wel de opvolger genoemd van de in 1800 opgeheven Vereenigde Oostindische Compagnie, daar ze eveneens in particuliere handen was, aandeelhouders had en de invloed van de Oranjes op het bedrijf voelbaar was. De oprichting van de NHM kan wellicht worden gezien als een poging om de VOC nieuw leven in te blazen door de (tijdens de Franse tijd in het slop geraakte) handel met Nederlands-Indië weer een nieuwe impuls te geven.

Beginjaren

In de eerste decennia was de NHM een import- en exportbedrijf dat bestaande handelsrelaties moest uitbouwen en nieuwe handelskanalen moest aanboren. Aanvankelijk werd de NHM door veel tegenslag getroffen, doordat zij zich op een groter gebied dan oorspronkelijk de bedoeling was geweest wilde richten. Nadat de handelmaatschappij in Zuid-Amerika, Mexico en de Levant zware verliezen had geleden, legde zij zich bijna uitsluitend toe op Nederlands-Indië.
Nederlands-Indië

Deze handel bestond uit koffie, rietsuiker, indigo, specerijen, tabak en enkele andere koloniale waren uit Nederlands-Indië. Winst bleef echter uit, totdat in 1827 Willem I, als grootste aandeelhouder, besloot om zijn eigen NHM het monopolie op de invoer van opium te geven: meteen werd winst gemaakt. De NHM acteerde als staatsbankier, handels- en transportonderneming, en inde belastingen in natura volgens het door Johannes van den Bosch ingestelde plantagesysteem, of het na de Belgische Revolutie van 1830 – die een economische crisis teweegbracht waarbij de NHM bijna ten onder ging – ingevoerde Cultuurstelsel waarbij de inlandse bevolking een vijfde van de cultuurgrond met voorgeschreven gewassen moest verbouwen en afdragen.[1] De NHM verzorgde de verkoop en het transport van deze belastingen in natura, meestal thee, koffie, suiker en rubber. Het succes waarmee de organisatie dit deed, leidde tot de bijnaam Kompenie Ketjil, ofwel de Kleine Compagnie naar de veel oudere en grotere Vereenigde Oostindische Compagnie.

Doordat de NHM op gegeven moment “katoentjes” ging exporteren naar Nederlands-Indië en daarbij als inkoper en opdrachtgever optrad, kwam de Twentse textielindustrie als eerste volwaardige Noord-Nederlandse industrietak van de grond. Aanvankelijk had de NHM op advies van de Nederlandse regering in Haarlem en Leiden fabrieken gevestigd, maar na een tiental jaren bleek de bevolking van deze steden zich niet aan te kunnen passen en werd besloten de vestiging te verplaatsen naar Twente, waar de boerenbevolking dankzij haar huisnijverheid over enige technische kennis beschikte. Secretaris Willem de Clercq wist tijdens een bijeenkomst in Hengelo de Engelse katoenfabrikant Thomas Ainsworth ertoe te bewegen de Twentse bevolking het gebruik van nieuwe Engelse machines zoals de snelschietspoel aan te leren.

In de jaren twintig en dertig werd langzamerhand de binnenlandse organisatie opgebouwd. Tot dan toe had de NHM zwaar geleund op de activiteiten in de overzeese gebiedsdelen, slechts ondersteund door een hoofdkantoor in Amsterdam en een bijkantoor in Rotterdam. Pas vanaf 1936, met de overname van de Geldersche Credietvereeniging, werd gestart met het opbouwen van een kantorennet. Halverwege de jaren twintig verhuisde het hoofdkantoor van een gebouw in de Gouden Bocht naar een door Karel de Bazel ontworpen gebouw aan de Vijzelstraat, dat inmiddels bekendstaat als De Bazel.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het kantorennet fors uitgebreid, zowel binnen Nederland als daarbuiten. De plantages in (inmiddels) Indonesië werden genationaliseerd in 1959 en een jaar later zou dat ook met de bankactiviteiten gebeuren.

Het bankiersbedrijf in Nederland floreerde echter en na de fusie met de Twentsche Bank in 1964 werd het bedrijf onder de naam Algemene Bank Nederland, of ABN een van de grootste bankbedrijven in Nederland.