Albert Helman en de emancipatie

       Vorige pagina

foto van Plantage Jagtlust.Albert Helman (pseudoniem van Lou Lichtveld) was een bekend Surinaams-Nederlandse schrijver, verzetsstrijder en politicus. Gedurende korte tijd was hij minister in Suriname. In die hoedanigheid hield hij een rede ter gelegenheid van de 86e herdenkingsdag van de afschaffing van de slavernij. Onder zijn eigen naam verscheen die in het dagblad De Surinamer (6 en 7 juli 1950) met als titel ‘Voor en na de Emancipatie’.

Hieronder fragmenten uit het gedeelte ‘Na de emancipatie’. Hoewel al 68 jaar geleden, lijken sommige conclusies nog steeds actueel.

Een paar directe gevolgen van gevolgen van de emancipatie behoren te worden vermeld. Er ontstond een grote reis- en verhuislust onder de bevrijden. De rivieren waren in die dagen als bezaaid met ponten en korjalen, vol mensen en goederen. Want al moesten nog gedurende tien jaren de geëmancipeerden zich verbinden tot arbeid op de één of andere onderneming, met uitzondering van de handwerkslieden en huisbedienden, die helemaal vrij waren, het werd niet noodzakelijk geacht dat men zijn contract aanging op de plaats waar men vroeger als slaaf gewerkt had.

Er waren dan ook lieden, bijvoorbeeld aan het verlengde Pad van Wanica, aan de Kwattaweg en elders nabij de stad, die als huurders of eigenaars van kleine percelen, geëmancipeerde familieleden aantrokken en werkovereenkomsten met hen sloten, dat zij gedurende twee of drie dagen in de week voor de eigenaar moesten werken zonder loon, en de overige tijd voor zichzelf, anderen weer sloten schijncontracten. Op zulke plaatsen waren er noch arbeiderswoningen, noch ziekenhuisjes of welke accommodatie ook, maar toch gaven veel geëmancipeerden voorkeur aan deze inderdaad voortijdige volledige vrijheid, desnoods in armoede.

En ook degenen die op de plantages werkten, verwisselden gemakkelijk genoeg van plaats. Er was vooral ook afkeer onder de mannen om nog verder als huisbediende te werken, zodat meer en meer de vrouwelijke dienstboden in trek kwamen. De Surinaamse zwervers en paria’s ontstonden toen ook helaas.

Intussen hadden de plantage-eigenaren aardige bedragen als tegemoetkoming voor de vrijgemaakte slaven in handen gekregen. In grote hoeveelheden was vanuit Nederland zilvergeld naar Suriname getransporteerd voor die betalingen. Uiteraard bleef dat geld in de stad, het kwam gedeeltelijk in omloop en de kooplust werd er danig door aangewakkerd.

In deze toestand ging men ook te gemakkelijk tot aan- en verkoop van plantages over, die nu door de oorspronkelijke eigenaren meer als een last dan als een voordeel beschouwd werden. Men stond echter voor een plotseling nijpend tekort aan arbeidskrachten, en het verval van een eertijds nog bloeiende plantage was maar een kwestie van enkele jaren: het Surinaamse bos is de ijverigste van alle veroveraars. De grote landbouw bleek niet van een ondergang te redden.

Daaraan zijn wij vandaag nog steeds bezig, en het kost de grootste moeite, het zal nog de grootste krachtsinspanning van allen vragen om er in te slagen. Doch ook met de emancipatie zijn wij na 87 jaar nog niet helemaal klaar. Zeker, er zijn geen slaven meer in Suriname, maar dat wil nog niet zeggen dat wij volkomen bevrijd zijn van elke slavernij.

Want welke mens is werkelijk vrij? Alleen diegene die niet alleen de uiterlijke vrijheid bezit, maar ook die vanuit binnenuit, de vrijheid van geest en hart, die geen slaaf is van zijn hartstochten noch van vooroordelen, noch van het kleine winstbejag, die geen geketende is aan zichzelve. In dit opzicht is de Emancipatie iets dat zich niet op een bepaalde datum voltrekt, maar een voortdurend proces, zolang de mens, dus ook de Surinaamse mens bestaat. A

l bijna een eeuw werkt Suriname aan zijn zelfbevrijding, dat is: niet alleen aan de verovering van zijn uiterlijke vrijheid, maar vooral aan het juiste genot van die vrijheid door innerIijke vrijwording. Moge het ons en onze nazaten vergund zijn die vrijheid te vinden.”

 

  Auteur: Jacob van der Burg