Een drietal Nederlandse dominees

       Vorige pagina

Het Koningshuis steunde begin negentiende eeuw het initiatief van een drietal Nederlandse dominees bij het vertrek van de “Boeroes” naar Suriname.

Begin 19e eeuw was er de nodige bemoeienis van het koningshuis met Suriname; Willem I was in 1829 betrokken bij John Cockerill’s modernisering van plantage Susanna’s Daal, Prins Willem Frederik Hendrik bezocht Suriname in 1835 en Koning Willem II stemde in met de landbouw-kolonisatie door Nederlandse boeren bij het Surinaamse Groningen. Het initiatief ging uit van een drietal dominees.

Dominee Arend van den Brandhof (1793–1863) ontwikkelde medio 1839 het idee om als predikant met een groep boeren naar Suriname te gaan. Hij besprak zijn ideeën met zijn zwager dominee Copijn, die hem in contact bracht met de kerkelijke autoriteiten en met ambtenaren van het ministerie van Koloniën.

In 1841 dienden drie dominees, A. van den Brandhof, D. Copijn en J.H. Betting (een voormalige studievriend van Brandhof) bij koning Willem II een voorstel in om tweehonderd huisgezinnen, te kiezen uit arme landbouwers, naar Suriname over te brengen om daar een vrije landbouwkolonie te vestigen. De regering stemde in principe met het plan in en besloot in 1843 dat bij wijze van experiment voorlopig vijftig gezinnen voor de landbouw-kolonisatie naar Suriname mochten worden gebracht.

Betting vertrok in 1843 in gezelschap van drie potentiële kolonisten naar Suriname om een geschikt terrein uit te kiezen. Na terugkomst in Nederland raadde hij zijn collega’s af om op korte termijn naar Suriname te vertrekken, hetgeen zij hem niet in dank afnamen. Hij raakte zijn functie als leider van het kolonisatieproject kwijt.

Van den Brandhof en Copijn ronselden daarna in aller haast via collega-predikanten de vijftig benodigde gezinnen. Van de personen die zich voor de kolonisatie opgaven, waren weinigen bekend met de landbouw en de meerderheid van de kolonisten was jonger dan achttien of ouder dan vijfenveertig jaar.

In 1845 vertrokken zo’n 300 mensen vanuit Nederland naar Suriname. Zij vestigden zich op de voormalige plantages Voorzorg (die als leprozerie in gebruik was geweest) en Mijn Vermaak. Het plan werd geen succes. In het eerste jaar stierf een aanzienlijk deel van de immigranten door een tyfusepidemie.

Ook Anna Pannekoek, de vrouw van dominee van den Brandhof, overleed al snel na aankomst. De situatie stabiliseerde enigszins nadat de overlevenden zich aan de overkant van de Saramacca rivier in het dorpje Groningen vestigden.

In 1853 woonden er nog maar 43 van deze mensen in Groningen. De kolonisatie aldaar moest als mislukt worden beschouwd en van den Brandhof keerde met zijn kinderen terug naar Nederland.

De nazaten van de boerenemigranten staan in Suriname bekend als de boeroes.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis