Balfour en de opstand op Berlijn

       Vorige pagina

Vroeg in de 19e eeuw was het niet langer toegestaan om internationaal slaven te verhandelen. Dit werd in eerste instantie omzeild door ze te smokkelen, en toen die praktijk werd beëindigt bedacht men ‘legale’ alternatieven om aan nieuwe slaven te komen. Dat ging niet zonder slag of stoot.
foto van Nico Eigenhuis.
James Balfour (1777-1841) was een Schot die in Berbice en Demerara als arts werkte en vervolgens plantages kocht in Nickerie. Balfour vestigde zich in Suriname en werd een vermogend man. Tegen 1821 bezat hij de katoenplantages Forgue en Providence en de suikerplantages Waterloo en Hazard.

Plantage Berlijn te Para (niet te verwarren met de gelijknamige plantage te Commewijne) werd gesticht in 1760 door de Pruisische kapitein Walraad Hendrik Godlief van Borries, die Luthers was. Het was oorspronkelijk een houtplantage, later werd er ook suiker en koffie geplant.

Door een plantage met de bijbehorende slaven op te kopen, omzeilden plantage-eigenaren het verbod op de handel in slaven. Toen Balfour de houtplantage Berlijn aan de Parakreek in 1824 met dit doel had opgekocht en de slaven wilde overbrengen om ze op een andere plantage in te zetten, kwamen ze in opstand en keerden uit protest terug.

Dit leidde tot grote spanningen. Het koloniale leger werd ingezet om de opstand te beteugelen. Dit was zonder succes. Hierdoor bleven er spanningen bestaan tussen de directeur van de plantage, Balfours broer Thomas, en de slaven.

Deze bereikten een tragisch dieptepunt: Thomas Balfour doodde een slavin en werd voor straf verbannen uit Suriname. Hij verzocht hierna tevergeefs om een koninklijk pardon en de vernietiging van zijn vonnis.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

———————————————————————–

Fotos van de slavenhandel