De laatste grote bospatrouille

       Vorige pagina

De man op deze foto, Kapitein Broos, was aanvoerder van een groep Marrons, levend bij de Surnaukreek, een zijtak van de Surinamerivier. Zijn naam is vooral bekend vanwege onderstaande gebeurtenissen, hier beschreven in een Volkskrant uit 1996.

foto van Plantage Jagtlust.Een jaar voor de afschaffing van de slavernij in Suriname maakte het Nederlands koloniaal bestuur zich ernstig zorgen over de toekomst. Weglopers konden in de zeventiende en begin achttiende eeuw nog worden aangepakt via ‘bospatrouilles’, mensenjachten waarin ze werden opgejaagd, vermoord en van hun rechterhand ontdaan voor de daarop gezette premie. Dorpen werden afgebrand en kostgronden vernield, alles in de verwachting dat de hongersnood de weglopers zou doen terugkeren en toekomstige vluchters zou afschrikken. Het was een ‘politionele actie’ in zuivere vorm.

Sinds 1848 was Nederland een parlementaire democratie. De minister van Koloniën moest aan de kamer verantwoording afleggen, en die kamer was liberaal. Op bospatrouilles in Suriname rustte een licht taboe. Besloten werd dat de afschaffing van de slavernij in Suriname gepaard zou gaan met amnestie voor alle vluchters – niet in de laatste plaats om arbeidskracht terug te lokken. Maar ook de belangen van de plantage-eigenaren moesten worden beschermd.

Nederland wist weer eens niet goed raad met Suriname. En zo kon het gebeuren dat de minister van Koloniën de gouverneur van Suriname toestemming gaf voor een ongebruikelijk infrastructureel project. Een volgens de gouverneur, ‘blijvende’ oplossing voor het weglopersprobleem was : de aanleg van een communicatiepad tussen de Surinamerivier en de Commewijnerivier.

Het pad zou het deel van het oerwoud ontsluiten waarin gevluchte slaven hun heenkomen hadden gezocht. Geen pad voor nieuwe bospatrouilles, alleen voor iets dat daarop leek. Een pad dat toekomstige weglopers zou ontmoedigen en waarlangs – mooi meegenomen – de reeds gevluchte slaven het goede nieuws van de amnestie zou kunnen worden gebracht. Het plan werd uitgevoerd, maar de Nederlandse expeditie die in november 1862 via het communicatiepad het bos in trok, mislukte op jammerlijke wijze.

De soldaten droegen geweren die niet waren geladen. Bij het eerste vijandelijke schot namen lastdragers en gidsende indianen de benen. De kogels en kanonnen die later werden ingezet, troffen kennelijk geen doel. De expeditie was een treurig slot van tweehonderd jaar strijd tegen de marrons.

Deze geschiedenis staat beschreven in het boek ‘Het kamp van Broos en Kaliko’.

In het boek wordt ook een historisch niet geboekstaafde latere ontmoeting tussen Broos en de opdrachtgever tot de patrouille beschreven. Deze laatste vraagt aan Broos waarom hij toch de blanken die met vreedzame bedoelingen kwamen, had aangevallen.
Broos verklaarde dat hij het voorgevallene betreurde, maar dat de schuld niet bij hem, maar bij de bakra’s had gelegen. Hij wist helemaal niet dat ze ongewapend waren. Als de bakra’s met hem in verbinding wilden komen hadden ze witte en zwarte vlaggetjes moeten ophangen op een plek aan de rivier.

Tot zover de krant.

In hoeverre bovenstaand gesprek echt heeft plaatsgevonden blijft de vraag. Wel weten we dat Broos en veel volgers bij de emancipatie de verlaten plantage Rorac in bezit namen. Uiteindelijk werd de plantage hun officiëel geschonken.

Nazaten van kapitein Broos zijn de families Babel, Langveld en Deekman.

 

 

  Auteur: Jacob van der Burg