De gouvernementsplantage

       Vorige pagina

Nadat koning Willem I er voor zorgde dat John Cockerill rond 1830 Susanna’s Daal had gemoderniseerd kon het Surinaams gouvernement niet achterblijven. In 1843 moest plantage Catharina Sophia als gouvernementsplantage een voorbeeld worden voor alle plantagehouders in de kolonie.

foto van Nico Eigenhuis.Plantage Catharina Sophia is vernoemd naar de echtgenote van gouverneur de Friderici. De gedachte bij de aankoop in 1843 was dat er door het toepassen van de modernste technieken een suikerplantage zou ontstaan die zijn weerga niet kende.

Catharina Sophia was niet de eerste gouvernementsplantage en ook niet de laatste, maar met deze plantage werd de staat direct eigenaar van de slaven aldaar.

In 1844 werd een ultramoderne suikerfabriek van het type Derosne en Cail geinstalleerd. Dat systeem was een tijdlang het meest geavanceerde ter wereld. De plantage groeide uit tot de grootste suikeronderneming van Suriname en werd in de volksmond dan ook Soekroegron (suikergrond) genoemd. In 1850 telde de slavenmacht 640 personen.

Kennelijk was er al snel het idee ontstaan ze aan te vullen met contractanten. Van de eerste groep Chinese contractanten, 18 man afkomstig uit Indonesië in 1853, werden er 14 aldaar te werk gesteld. Later zouden er nog meer contractanten volgen. In de jaren 1854 tot 1858 produceerde de plantage circa 587 ton suiker per jaar. Toch werd deze fabriek een mislukking, en in plaats van winst draaide de plantage met verlies.

In 1857 was Christiaan Johannes Hering belast met de suiker- en rumproductie en schreef enkele boeken over dit onderwerp.In 1863 werd de plantage weer opgewaardeerd tot een ultramoderne plantage met nieuwe machines. De plantage werd het jaar daarop verkocht aan Anthony Dessé uit Nickerie.

In 1866 arriveerde een tweede groep Chinese arbeiders, ditmaal in China aangeworven, en daarna in 1872 nog een derde groep. Deze derde groep kwam niet uit China; zij arriveerden vanuit Nickerie met het schip Eleanor Desse. In totaal heeft de plantage 108 Chinese arbeiders geworven. Tussen 1873 en 1931 arriveerden 320 Hindoestaanse en 245 Javaanse contractarbeiders op de plantage. Op een gegeven moment werd de plantage omgezet op koffie en cacao.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis