Hugh Wright

       Vorige pagina

Hugh Wright (1809–1877) was een slaveneigenaar in Suriname. Hij was in 1859 het onderwerp van correspondentie tussen de Britse consul en Lord John Russell over zijn illegale slavenbezit. De grootste plantages in zijn bezit waren in 1863 bij de afschaffing van de slavernij in Suriname Alliance en Hooyland.

Hugh Wright kwam rond het jaar 1836 uit Demerara (Brits Guyana) naar Suriname met zijn oom Hugh McLeod. In 1847 trouwde Hugh Wright met zijn nicht, McLeod’s dochter Frances. Samen kregen ze drie kinderen, hoewel hij voornamelijk in Suriname woonde en slechts af en toe een bezoek bracht aan Frances in Edinburgh.

De komst naar Suriname van McLeod en Wright is niet los te zien van de eerdere afschaffing van de slavenhandel en slavernij door de Britten in resp. 1808 en 1834. In 1808 startten de Schotten, waaronder Cameron, hun plantages in Coronie en later op Commewijne; en ook McLeod richtte zich in 1836 met name op die districten.

Na het overlijden van Hugh McLeod in 1843 gingen zijn bezittingen naar Hugh Wright en zijn gezin. In 1854 kocht Wright Leydenshoop. Door zijn overname van plantages van Cameron, waaronder Alliance, werd hij eigenaar van totaal meer dan 1700 slaven.

Hij deed de aankopen met de gedachte dat hij als burger van Suriname niet vatbaar was voor de Britse wet –die de handel in slaven verbood-, met als nevenargument dat hij nimmer slaven kocht, maar alleen de plantages waaraan ze waren verbonden.

In 1863 ontving Hugh Wright bij de Emancipatie fl 300,- per slaaf. Het leverde hem een kapitaal op, te weten 66.000 gulden als compensatie voor 220 slaven op Plantage Hannover; 3.600 gulden ter compensatie van de 12 slaven op landgoed De Twee Kinderen; 150.600 gulden voor de 508 tot slaven gemaakte mensen op de Plantage Alliantie; 105.500 gulden voor 361 tot slaaf gemaakte mensen op Badenstein; en 187.500 gulden voor 625 slaven op Plantage Hooyland. Hij verkreeg daarmee de hoogste compensatie van alle plantagehouders in Suriname.

Hugh Wright had naast zijn gezin met zijn echtgenote in Edinburgh ook in Suriname een gezin met een huisslavin, die op zijn verzoek in 1856 werd gemanumitteerd.

Carolina Josephina Uchlein was toen 16 jaar, en ze kregen samen zeven kinderen waarvan er twee al jong overleden. Conform zijn testament werden vier van ze na zijn overlijden als ’neven/nichten’ naar Edinburgh gezonden waar ze in het gezin van zijn eerste vrouw Frances werden opgenomen.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis