Javaanse contractarbeiders

Javaanse contractarbeiders

Javaanse contractarbeiders

Tussen 1890 en 1939 kwamen ruim 33.000 Javaanse contractarbeiders naar Suriname. Hoofdreden voor hun komst was de stagnatie in de aanvoer van Hindostanen. Omdat zij altijd Engelse onderdanen waren gebleven, had dit land bepaalde eisen gesteld met betrekking tot de werkomstandigheden.

Toen de zorg naar de mening van de Engelse regering te kort schoot was er al eens een tijdelijke stop afgekondigd. Later werd, ook omdat Engeland de arbeiders zelf goed kon gebruiken, definitief een eind aan de Hindostaanse immigratie op contractbasis gemaakt.

Voordeel voor de Nederlandse regering was dat over de werkomstandigheden van de Javanen met niemand onderhandeld hoefde te worden.

Aan hun arbeidsomstandigheden werden minder eisen gesteld. Nadeel van de Javanen was dat veel van hen niet ingesteld waren op de zware landarbeid. Voor het gouvernement een reden om wat leeftijd betreft vooral naar jonge mensen te streven.

De Javanen werden op 27 plantages te werk gesteld. Na afloop van een eerste contract hadden ze de keuze om een nieuw contract te sluiten, op kosten van Nederland naar Nederlands-Indië terug te gaan, of in Suriname te blijven. In dat laatste geval ontvingen ze een premie in geld om een vestiging te bekostigen. Het gebeurde daarbij soms dat men in eerste instantie het geld aannam en later toch terug wilde. In dat geval moest eerst gespaard worden om de terugtocht te bekostigen.

Evenals bij de Hindostaanse contractarbeiders is er ook over de Javaanse arbeiders een uitgebreide database opgesteld.
8.000 Javanen zijn na afloop van hun contract naar West-Indië teruggekeerd. De overige 25.000 zijn al dan niet noodgedwongen in Suriname achtergebleven.

De eerste groep “immigranten” bestond uit 94 personen, 62 mannen en 32 vrouwen. De groep was op initiatief van de Nederlandse Handels Maatschappij geworven om te werk gesteld te worden op de de suikerplantage Mariënburg.

In de jaren hierna waren werving, transport en tewerkstelling een taak van de Nederlandse overheid.

Uit bovengenoemde database zijn een aantal gegevens over Jagtlust gefilterd.
Totaal over de gehele periode bezien, hebben er 953 Javanen op Jagtlust gewerkt. Voor 793 was het de eerste contractarbeid in Suriname, de overigen hadden eerst op een andere plantage gewerkt.

De Javaanse historicus Paul Mangoenkarso heeft de eerste groep Javanen op Mariënburg uitgebreid in beeld gebracht. Voor ons verhaal is, met gebruikmaking van enkele criteria uit zijn onderzoek, de eerste groep Javanen die op Jagtlust aankwam in 1898, wat nader bekeken.

Die eerst groep, gearriveerd in twee transporten, bestond uit 65 personen, 46 mannen en 19 vrouwen. De gemiddelde leeftijd van de mannen was 23.9 jaar, van de vrouwen 21.7 jaar. Bij aankomst moesten tien personen wegens ernstige ziekte opgenomen worden in het hospitaal. In de eerste tien jaar overleden 8 personen, van wie 4 in het eerste jaar. Van die 8 personen werd tweemaal als doodsoorzaak verdrinking gemeld. In de overige gevallen was een ziekte de doodsoorzaak.

Met betrekking tot het afsluiten van vervolgcontracten bleek dit vooral bij de mannen favoriet. De vrouwen lieten het meestal bij één contract.

Uiteindelijk verkozen 20 Javanen om terug te keren naar Nederlands-Indië. Procentueel gezien waren dit vooral mannen. Slechts vier vrouwen gingen terug.

Tot 1930 waren de meeste Javanen in Suriname werkzaam op de plantages. Als gevolg van de crisisjaren sloten echter veel plantages. De werkloos geworden Javanen stapten over naar de kleine landbouw.

Ze begonnen voor zichzelf, hierbij geholpen door de overheid die opgeheven plantages verkavelde tot kleine perceeltjes.

 

  Auteur: Jacob van der Burg