Josephina Leentje Haver

Josephina Leentje Haver (1832-1906)

       Vorige pagina

Ze werd geboren als slavin, en huwde in 1870 met Cateau van Rosevelt. Ze hadden op dat moment samen al zes kinderen. Na zijn overlijden vertrok ze in 1901 met vier dochters naar Nederland.

Johan Cateau van Rosevelt (1824-1891) kwam in 1845 naar Suriname. Hij deed er ontdekkingsreizen en had er vele functies waaronder die van districtscommissaris. In 1872 -juist voor de komst van de eerste Hindoestaanse contractanten- werd hij benoemd tot eerste agent-generaal van immigratie, en was hiermee de voorganger van Barnet Lyon. Hij ligt begraven op Nieuw Oranjetuin.

Josephina werkte als slavin vermoedelijk op plantage Boston, en was eigendom van A.M. Brandon. Ze stond geregistreerd als huisbediende en kwam in 1849 onder de naam Leentje vrij na betaling van de borgtochtsom van f 50

  Auteur: Nico Eigenhuis

 

—————————————————————————————–

Cateau van Rosevelt

Johan François Adriaan Cateau van Rosevelt (Hattem, 7 september 1824[1] – Paramaribo, 20 oktober 1891) was een Nederlands bestuurder in Suriname waar hij onder andere agent-generaal voor de Immigratie en Statenlid was.
Familie

Cateau van Rosevelt was een zoon van François Abraham Cateau van Rosevelt (1786-1848), ontvanger der belastingen, en Antonia van Wijhe (1790-1862) en een kleinzoon van François Adriaan van Rosevelt Cateau. Hij trouwde in 1870 met zijn voormalige slavin Josephina Leentje Haver (1832-1906), die in 1849 manumissie had verkregen en met wie hij zes voorechtelijke kinderen had.
Loopbaan

Cateau van Rosevelt kwam op 21-jarige leeftijd naar Suriname als matroos en kanonnier. Hij was een man van grote veelzijdigheid en ongeëvenaarde werkkracht. In zijn veelbewogen leven was hij achtereenvolgens onder meer lichtmatroos, stuurman, ontdekkingsreiziger, cartograaf van het Surinaamse binnenland. De Roseveltpiek in het binnenland van Suriname is naar hem vernoemd. Tussen 1868 en 1871 was hij districtscommissaris belast met het beheer van Beneden en Boven-Saramacca. Ook werd hij lid van de Koloniale Staten.

In 1872 werd hij benoemd tot de eerste agent-generaal voor de Immigratie. In die functie hield hij toezicht op de immigratie van contractarbeiders en bemiddelde hij bij arbeidsconflicten. Hij ontving de eerste Hindoestaanse immigranten die op 5 juni 1873 werden ontscheept. Hij had het vertrouwen van de contractarbeiders, hetgeen bijvoorbeeld bleek uit het feit dat velen hun spaargeld bij hem in bewaring gaven. Zijn bijnaam was “Kuli-papa”, vader van de Hindoestanen. Nadat hij op 68-jarige leeftijd in Suriname was overleden werd hij als agent-generaal voor de Immigratie opgevolgd door George Barnet Lyon.

Cateau van Rosevelt is op de begraafplaats Nieuwe Oranjetuin in Paramaribo begraven.