Pallak

       Vorige pagina

Matheus Sigismundus Pallak (1709-1767) was als plantage-eigenaar vooral actief in het district Para. Hij leeft in dat district voort onder zijn bijnaam Polaki, en hij had er destijds kennelijk een bijzondere plek in in de lokale gemeenschap. De huidige naam van zijn plantage is Princie, maar het wordt door Clark Accord in zijn laatste boek aangeduid als Plantage d’amour.

foto van Nico Eigenhuis.Pallak was in 1709 geboren als zoon van Johan Sigismund Pallak uit Dresden en Anna Margreta Ilgen uit Braunschweig. Hij kwam in 1730 naar Suriname en was gehuwd met Margaretha Neeven, weduwe van Jan van Weidon.

Het echtpaar woonde in een groot huis op de hoek van de Waterkant en de Kromme Elleboogstraat. Zij waren lid van de Lutherse kerkgemeente. Hij was eigenaar van de plantages Wangunst, De Vrede, la Prosperité en la Piquanterie aan de Corropinakreek.

Ook legde hij in Commewijne de plantage Maasstroom aan, hetgeen een link met Rotterdam aangeeft.

Op de houtplantages die hij in bezit had was een groot vertrouwen in de aldaar werkzame slaven nodig. Zij moesten er zelfstandig opereren en daarbij zelfs over eigen wapens kunnen beschikken. In de functie die hij in de periode 1747-1750 bekleedde als raadsheer van het Hof van Politie en Criminele Justitie adviseerde hij in 1749 als eerste om vrede te sluiten met de marrons, maar het zou nog tot 1760 duren eer deze vrede definitief tot stand kwam.

Pallak was hiermee –wellicht ingegeven door zijn ervaringen op Para- op de hand van gouverneur Mauricius en een tegenstander van de oude garde planters, het “Cabale”, onder aanvoering van de weduwe van der Lith en Salomon Duplessis.

In 1758 -vier jaar na het overlijden van zijn echtgenote- vertrok hij naar Nederland. Blijkbaar was hij heel geliefd bij zijn slaven want bij zijn afscheid namen zij allen luid wenend afscheid van hem. Hij nam zijn slaaf Christiaan mee die in 1760 in Leiden werd gedoopt.

Pallak ging in Leiden wonen en noemde zijn buitenplaats in Zoeterwoude Lust tot Rust, wellicht naar de dicht bij Maasstroom gelegen plantage Lust tot Rust van Wigbold Crommelin met dezelfde naam. Hij overleed aldaar in 1767. Zijn dood werd in de kerk van Paramaribo bekendgemaakt.

De namen van zijn plantages lijken een persoonlijk verhaal over Pallak weer te geven. Zo heetten ze achtereenvolgens Wangunst, La Piquanterie ( = pikant verhaal) en Gage d’ Amour ( = liefdesteken, voorwerp uit liefde gegeven) en in Nederland Lust tot Rust. Bekruipt u ook het idee dat de door hem gedoopte slaaf Christiaan een buitenkind van Pallak was?

 

  Auteur: Nico Eigenhuis