Fraser

Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen, staande mensen en tekstDe Schotse familie Fraser was in Berbice (Guyana) actief voordat ze in Suriname terecht kwamen.

De Schotse familie Fraser is net als de familie Cameron bekend omdat er een groep Highlanders naar ze is vernoemd. In dit geval de 78e Fraser Highlanders die van 1757-1763 actief was in de Franse en Indische oorlog.

Het regiment kwam uit Inverness en werd geleid door luitenant-kolonel Simon Fraser van Lovat. Het nam o.a. deel aan de belegering van Louisbourg en de verovering van Montreal in 1760.

De betrokkenheid van de Frasers in de Guiana’s startte bij James Fraser (1732-1808) uit Belladrum bij Inverness. Waarschijnlijk bezocht hij zelf zijn plantages nooit, maar zijn broer Alexander (1738-1784)] werd koopman in Tobago.

James Fraser trouwde met Hannah Baillie Dochfour (1739-1797) wiens broers actief waren in de slavenhandel. De drie zoons van James en Hannah waren allen leidende planters in Guyana; zijn dochter Emelia trouwde met Colin Mackenzie van Mountgerald, die eigenaar werd van een plantage te Berbice; en zijn dochter Isabella trouwde met Thomas Cuming, een van de vroegste Schotse planters in Demerara.

Fraser bezat plantages in zowel Demerara als Berbice, die werden geerfd door zijn drie zoons James, Simon en Evan.. Eind 1793 werd de samenwerking in hun bedrijf Fraser, Inglis & Co in Demerara ontbonden.

De Frasers kwamen hierna in Suriname terecht. We zien de naam o.a. terug bij de plantages Forgue (katoen) , Plaisance (koffie) en L’Espérance (suiker).

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis