Vriendschap (Friendship)

Vriendschap (Friendship)

       Vorige pagina

Een bekend lied heeft als tekst “een keer trek je de conclusie, vriendschap is een illusie”. Dat gold eind 18e eeuw ook voor de drie mannen die in 1776 hun gezamenlijk aangekochte plantage omdoopten tot De Guianese Vriendschap.

foto van Nico Eigenhuis.
Hieronder Elmina aan de Goudkust  (het tegenwoordige Ghana, Afrika)

Dankzij de onvolprezen Philip Dikland is vrijwel alle historie over de Surinaamse plantages terug te vinden. Zo weten we dankzij hem ook de diverse andere namen waaronder deze plantage ook wel bekend werd, te weten Leyenhoop ; Goede Buurt ; La Convenance ; Scherpenburg ; en Anna’s Lust. In 1776 kwam Scherpenburg op de veiling, en werd gekocht door een gelegenheids-combinatie van 3 personen, te weten : 2 Surinamers (de Vries en Reisiger) en een ex-ambtenaar annex slavenhandelaar van de Goudkust (Van Bakergem). Zij hernoemden de plantage tot “Guineesche vriendschap”.

Nicolaas van Bakergem (1735-1786) was een mulat, zoon van een Europese vader en een Afrikaanse moeder. Hij was geboren aan de Goudkust (het tegenwoordige Ghana) waar zijn vader een hoge W.I.C. ambtenaar was.

Hij was actief in de slavenhandel en had een aardig fortuintje vergaard. In 1776 reisde hij met een slavenschip naar Suriname, en daarna met een lading koffie naar Rotterdam. In Suriname kocht hij zijn deel van plantage De Guineesche Vriendschap. Deze aankoop slokte uiteindelijk zijn gehele fortuin op, zozeer zelfs, dat hij in 1783 terugkeerde naar de Goudkust om opnieuw met de slavenhandel te beginnen, en met de opbrengsten zijn schulden af te betalen. Dat is hem niet gelukt.

Hij overleed er in 1786. Zijn weduwe weigerde de erfenis te accepteren.Het persoonlijk leven van Nicolaas werd door Doortmont nauwgezet onderzocht.

De Guineesche vriendschap werd gekocht tegen een zwaar opgeschroefde koopsom. De plantage maakte geen winst, en de partners kregen geen rendement over hun investering.

De beurswaarde in Amsterdam kende bij de aankoop een zeepbelsituatie ; Surinaamse plantages stonden hoog aangeschreven, en er werd zwaar in geïnvesteerd. The sky was the limit. Men kocht met de gedachte altijd met winst te kunnen doorverkopen. Maar in de Jaren 1772-1774 barstte de zeepbel, maar toch bleef men geloven dat het weer zou aantrekken, zodat zelfs dat in 1776 nuchtere zakenlieden als De Vries, Reisiger en Van Bakergem zich nog lieten verleiden tot aankoop.

Uiteindelijk werd de halve plantage overgedaan aan ene S. Van Alphen.

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis