Zeist

       Vorige pagina

Vanuit Zeist opereert het ZZG (Zeister Zendingsgenootschap) namens de Evangelische Broedergemeente (EBG). Het ZZG is in Suriname al eeuwenlang actief, en is zich er inmiddels ter degen van bewust dat er niet altijd even zorgvuldig is gehandeld.

foto van Nico Eigenhuis.De Hernhutters ontstonden in 1722 in Saksen en groeide tot een kerk die over de hele wereld vestigingen heeft. In Nederland vestigden de Hernhutters zich in 1736. In Suriname ving men de zending al in 1735 aan onder de Indianen.

De Sociëteit van Suriname, de eigenaar van de kolonie, verbood echter zending onder de zwarte slaven op de talrijke plantages. Wel was men vanaf 1765 actief onder de Marrons, de Afro-Surinamers die als slaven uit de plantages ontsnapt waren en zich in het oerwoud hadden gevestigd. Zij en hun afstammelingen woonden in dorpen.

Een meer vaste vorm kreeg de zending in Suriname door de oprichting in 1793 van het Zeister Zendingsgenootschap (ZZG), die een voorloper kende in het Genootschap tot uitbreiding van het Evangelium onder de Heydenen (1737-1772). In dat jaar werd de eerste school voor slavenkinderen opgericht, in 1830 kreeg het ZZG toestemming om zendingswerk te verrichten onder de slaven.

De marron Johannes King (1830-1898) was een belangrijke zendeling van de EBG.. Hij leerde zichzelf schrijven, met behulp van Bijbelvertalingen en Singi Buku, toen hij ongeveer 32 jaar oud was. In een visioen was hem door God opgedragen zich voor de doop aan te melden. Ook kreeg hij visioenen waarin hem werd opgedragen het christelijke geloof uit te dragen.

Hij behoorde tot de Matawai (Matoewari) en was de eerste belangrijke schrijver in het Sranan Tongo. In 1886 deed hij verslag van zijn visioenen in het Skrekibuku.

Een voorbeeld van onzorgvuldig handelen door de EBG betreft de werkwijze rond de vestiging van de kerk te Bersaba die in 1858 is ingewijd door Broeder Glocker. Om dorpelingen –die tot dan de Winti godsdienst beleden- tot bekering te dwingen werden zij zodanig geïntimideerd dat velen hun persoonlijke wintigerelateerde goederen en bezittingen moesten verbranden.

In sommige gevallen gingen de dominees zover dat enkele winti¬oso’s werden verbrand. De Wintibelijders in de plantage verhuisden sommige winti’s naar bomen.

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis