Koers berekenen

In 2004 werd in de Suriname de Surinaamse dollar (SRD) ingevoerd. Daarvoor had het land de Surinaamse gulden als wettig betaalmiddel. De bankbiljetten zijn er in coupures van 5, 10, 20, 50 en 100 Surinaamse dollar. De valutakoers en wisselkoers van de Surinaamse dollar vind je onder het kopje SRD. Ook kun je de Surinaamse dollar omrekenen naar de euro. Dit is erg handig als je op vakantie gaat naar Suriname.





       

Knuffelsgracht – Johan Friedrich Knöffel

Knuffelsgracht – Johan Friedrich Knöffel

       Vorige pagina

Onderstaande diorama behoort tot de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam en is ook terug te vinden in het boek ‘Ketens en Banden, Suriname en Nederland sinds 1600’ (Uitgave Rijksmuseum/Van Tilt). Het diorama, voorstellende een gedeelte van de Waterkant met de uitmonding van de Kuffelsgracht is gemaakt door de schilder Hendrik Schouten in 1820.

Dit gebeurde in opdracht van de Britse handelaar William Leckie. Deze bewoonde het grote huis met de groene luiken, rechts van het midden. Het pand geheel links is herberg de Zwaan, lange tijd eigendom van Johan Friedrich Knöffel. De smalle gracht rechts daarvan-op het diorama moeilijk te zien-is naar hem Knuffelsgracht genoemd. Bovenstaande informatie is afkomstig uit het eerder genoemde boek.

Een andere bron, De Suriname Heritage Guide, duidt het op één na laatste huis links als dat van Knöffel aan. Op die site van de Guide zijn meer bijzonderheden over Johan Friedrich Knöffel te vinden.

Johan Friedrich Knöffel werd in 1747 de eerste eigenaar van Plantage Frederiksdorp. Hij was afkomstig uit Pommeren en was samen met zijn broer als soldaat naar Suriname gekomen. Ook de gronden van Buitenrust en Johan Margaretha waren in zijn bezit. Hij had geen wettige kinderen, maar had in Suriname wel een gezin opgebouwd in concubinaat met zijn slavin Grietje. Ze kregen twee dochters.

Voor zijn kinderen moest manumissie worden aangevraagd. Voor hun opleiding werden ze naar Nederland gestuurd. Na het overlijden van Knöffel in 1768 erfden ze een gedeelte van zijn bezit.

Frederiksdorp was oorspronkelijk een koffieplantage, maar in de tweede helft van de 19e eeuw werd op cacao overgeschakeld. Daar kwam een eind aan door de beruchte krullotenziekte in 1905. De productie liep toen drastisch terug. Rond 1927 was de plantage geheel verwaarloosd. Nadien is de plantage nog enkele keren in andere handen overgegaan.
In 1976 werd de plantage gekocht door de Nederlander Ton Hagemeijer.

Hagemeyer kocht de kleinlandbouwers uit, zodat die gronden weer één werden met de plantage. Hetzelfde deed hij met de woning waarin eerder een politiepost was gevestigd. Met financiële steun uit Nederland, in de jaren 2002 en 2003 was hij in staat oude gebouwen te renoveren.

In de plantagegebouwen werd een klein maar exclusief hotelletje begonnen.
In 2016 werd Frederiksdorp opgekocht door Sirano Zalman, eigenaar van Access Travel Suriname en Danpaati River Lodge.
Het is inmiddels een mooi resort geworden met fraai gerestaureerde koloniale woningen, maar ook met moderne logeergelegenheid. Het geheel maakt deel uit van een groter plan voor toeristische activiteiten in dit deel van Commewijne.

 

  Auteur: Jacob van der Burg




       

Geschiedenis van het onderwijs

Geschiedenis van het onderwijs

       Vorige pagina

In 1809 arriveerde vanuit Nederland de Surinaamse vrije kleurling Johannes Vrolijk. Hij had in Nederland een opleiding tot schoolmeester gevolgd en aangekomen in Suriname stichtte hij, als eerst Surinamer, een eigen school. Naar het lijkt had de school een goede naam. Over zijn verdere leven is weinig bekend. Johannes overleed, zo blijkt uit oude kranten, 46 jaar oud, in 1831.

Of hij tot het einde succesvol is geweest is moeilijk na te gaan. Wel valt ook te lezen, dat al een jaar eerder zijn huis verkocht moest worden en na zijn dood zijn boedel per veiling werd verkocht.
De geschiedenis van het onderwijs in Suriname begon al veel eerder.

De eerste (privé) school in de kolonie werd in 1677 opgericht door de Joodse gemeenschap op Joden Savanne. Enkele jaren later, namelijk in 1682, dus al 15 jaar na de stichting van de Nederlandse kolonie, kreeg de Gouverneur de bevoegdheid om uitgaven ten behoeve van onderwijs te doen.

Drie jaar later kwam die eerste schoolmeester er echt. Om de kosten voor het Gouvernement te drukken was die schoolmeester, Walthereus van Aernhem, tevens koster, voorzanger en voorlezer van de Gereformeerde kerk.

Dat alles voor driehonderd gulden per jaar. Onderwijs was in die tijd, en gedurende een lange tijd daarna, nauw verbonden met de kerk.

Meerdere schoolmeesters volgden. Het onderwijs stond niet op een hoog peil. Vaak waren de schoolmeesters verlopen planters, afgedankte militairen en vreemdelingen die de taal niet eens machtig waren.

In het begin was de school er alleen voor kinderen van kolonisten, later kwam er een Franse school. In 1760 werd ook een school opgericht voor vrije “mulatten en negers”. Slavenkinderen kregen nog geen onderwijs. Toen echter in 1760 met de bosnegers(Aukaners) op de houtplantage Auka vrede werd gesloten, werden vier zonen van de opperbevelhebbers als gijzelaars in Paramaribo vastgehouden en ontvingen ze schoolonderwijs met goed resultaat. Eén van hen werd zelfs naar Nederland gezonden, waar hij een opleiding tot schilder ontving. Daarna keerde hij als een invloedrijk man terug naar Suriname.

In 1817 werden enkele Algemene Schoolwetten van kracht, met ondermeer de bepaling dat “alle wreede en onverstandige lighamelyke kastydingen uitdrukkelyk verboden” waren. Alleen matig gebruik van de roede en een eindje touw werden toegelaten.

Vanaf 1844 gaven Moravische broeders al onderwijs aan slavenkinderen in Paramaribo en de districten. Op plantage Beekhuizen werd een schooltje geopend waar rond de tien jongens tot plantage-onderwijzer werden opgeleid. Deze kwekelingen waren slavenkinderen die door de eigenaars voor deze opleiding waren afgestaan.

De overheid had heel lang onderwijs aan slavenkinderen verboden. Maar met afschaffing van de slavernij in zicht hoopte men door het geven van onderwijs vanuit Christelijke principes, de kinderen ook eerbied voor het door God gegeven gezag (lees de koning) bij te brengen. Nadat in 1863 de slavernij werd afgeschaft en het tienjarig Staatstoezicht werd ingesteld, kwam er ook de verplichting tot onderwijs voor de Creoolse kinderen. Vanaf 1864 kregen de Moravische zending en de Rooms-katholieke missie overheidssubsidie voor het onderwijs. Drie jaar later volgden er openbare scholen.

In 1876 werd in Suriname de algemene leerplicht ingevoerd voor kinderen van zeven tot twaalf jaar. De leerplicht leverde problemen op voor kinderen van Hindostaanse immigranten omdat tien- tot vijftienjarigen op grond van het contract van hun ouders (!) verplicht waren als halve kracht te werken. In 1890 werden er rond de plantages speciale koeliescholen opgericht. Het onderwijs hier werd verzorgd door slecht opgeleide leerkrachten en een echt succes werd het niet. In 1906 werden de scholen weer opgeheven.

In 1920 volgde er een financiële gelijkstelling van openbaar en christelijk onderwijs. Dit hield in dat wanneer ergens een christelijke school werd gesticht, een openbare school in principe voor dezelfde vergoeding in aanmerking kon komen, bij voldoende leerlingen.
De Hindostaanse bevolkingsgroep was een belangrijke “motor” bij een forse toename van de openbare scholen. De meeste Hindostanen voelden er weinig voor om de katholieke en christelijke scholen te bezoeken. Het openbaar onderwijs gaf ze meer vrijheid. Ook veel Javanen en Creolen, die geen Christenen waren, gingen de openbare scholen bezoeken.
Geleidelijk nam het aantal lagere scholen toe.

In 1890 waren er 63 lagere scholen, waarvan 18 openbaar.
In 1930 111 waarvan 41 openbaar
In 1950 129 waarvan 45 openbaar.

Enkele van deze lagere scholen kregen er in de loop van de tijd enkele leerjaren bij waardoor zij een ulo-(uitgebreid lager onderwijs) en zelfs mulo-school (meerder uitgebreid lager onderwijs) werden. In 1887 werd de eerste driejarige ulo geopend, de Hendrikschool, die in 1899 werd uitgebreid tot een mulo, gelijkwaardig aan de driejarige hbs in Nederland. Verder werden de volgende scholen in ulo’s omgezet: Van Sypensteynschool (1899), de RK Paulusschool voor jongens (1902, in 1914 mulo), in 1920 kwam er voor meisjes de RK Louiseschool (mulo). De Hernhutters startten in 1914 de Selecta ulo-school en in 1927 de Graaf von Zinsendorf mulo-school.

(Bronnen o.a. : Grepen uit de geschiedenis van het onderwijs in Suriname in de 17e en 18e eeuw, Fred Oudeschans Dentz; De geschiedenis van Suriname, Hans Buddingh; Tweehonderd jaar onderwijs en de zorg van de Staat, redactie P.Boekholt).

 

 

  Auteur: Jacob van der Burg




       

De bocht van Guinee -Elmina

De bocht van Guinee -Elmina

       Vorige pagina

Tussen 1541 en 1866 zijn ongeveer 12,5 miljoen Afrikanen aan boord van Europese schepen vervoerd met als bestemming (voornamelijk) de Nieuwe Wereld. Van hen arriveerden bijna 11 miljoen…..

Op veel plekken tref je in Nederland het opschrift “De bocht van Guinee ” aan. Dat kan zijn bij cafés en hotels, maar soms vind je het als straatnaam. Wat er achter die woorden schuil gaat is meestal niet bekend. Maar weinigen weten dat daarmee een kuststreek van Afrika wordt bedoeld. En nog minder is men er van op de hoogte dat in de nabijheid hiervan het beruchte slavenkasteel Elmina stond, waarvan de resten nog steeds te vinden zijn.

De oudste vermelding van de bocht, die ik kon vinden, was die in het boek “Naukeurige beschrijvinge der Afrikaensche gewesten..”, verschenen in 1676. En wat betreft de opschriften weet Jacob van Lennep in een artikel over namen te vermelden (1868) dat er in 1700 in Amsterdam al twee matrozenlogementen waren met dat opschrift.

Wie zich niet beperkt tot internet, maar zelf op zoek gaat in bibliotheken en archieven komt vast nog oudere vermeldingen en uitgebreidere beschrijvingen tegen.

Dat deed onder andere de journalist Marcel van Engelen.

In 2013 verscheen zijn boek “Het kasteel van Elmina, In het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika”. Naast veel lezen over het onderwerp deed Van Engelen ook ter plaatse veel onderzoek en sprak met veel huidige bewoners van de streek.
Heel in het kort vertelt zijn boek het volgende verhaal.

Elmina is gesitueerd in het huidige Ghana. Elmina werd gesticht door de Portugezen in 1482. In het gebied, over een lengte van tweehonderd kilometer, bevonden zich op een gegeven moment zo’n 75 handelsposten van o.a. Engeland, Portugal en Nederland. Van hieruit werd handel gedreven met het binnenland van Afrika.

De voornaamste trekpleister in het begin voor de Europeanen was het goud, dat in de binnenlanden gedolven werd. In 1637 veroverde Nederland de handelspost, waar het kasteel van Elmina stond.

Van hieruit werd veel handel met het binnenland gedreven. Toen er in Zuid-Amerika steeds meer kolonies werden gevestigd, ontstond de behoefte aan werkkrachten voor het plantagewerk in de kolonie. Er kwam toen een omslag in de handel met Afrika. Slaven werden het belangrijkste uitvoerprodukt aan die goudkust.

Aan slaven was geen gebrek. In het binnenland voerden verschillende stammen geregeld oorlogen. Overwonnen vijanden werden gedood of als slaaf weggevoerd. Deze slaven verrichtten dan allerlei diensten voor de overwinnaars. Toen de Afrikanen in de gaten kregen dat Europese handelaars graag veel wilden betalen voor die slaven, vond er een omslag in de handel plaats. Voortaan werden vanuit het gebied vele slaven vervoerd richting Amerika.

Eerst vervoerden de Nederlanders slaven voor werk in buitenlandse kolonies, maar toen Nederland eenmaal zelf ook uitgebreid bezit in Zuid-Amerika had, ging het richting de Nederlandse kolonies. Ook werd op Curaçao een slavendepot gevestigd, van waaruit andere kolonies werden voorzien. Op een gegeven moment kwam er in Afrika een einde aan de voorraad slaven, die door oorlog was verkregen. Sommige stammen gingen nu expliciet op slavenjacht om zo gunstig handel te kunnen drijven.

Tegen het einde van de achttiende eeuw, had Nederland nog nauwelijks slavenschepen in de vaart. Veel planters in de West leden verlies en konden maar weinig nieuwe slaven kopen. In 1814 schafte Nederland de slavenhandel af, nadat Engeland dat al in 1807 al had gedaan. In 1872 raakte Nederland Elmina kwijt aan Engeland.

Enkele cijfers.

Tussen 1541 en 1866 zijn ongeveer 12,5 miljoen Afrikanen aan boord van Europese schepen vervoerd met als bestemming (voornamelijk) de Nieuwe Wereld. Van hen arriveerden bijna 11 miljoen levend op hun bestemming. Het sterftepercentage op de slavenschepen schommelde rond de 15%. Totaal waren er 35.000 slaventransporten. Tweederde van de verscheepte Afrikanen was man, een derde was vrouw. De snelste reis was drie weken, gemiddeld duurde een reis twee maanden. Bij één op de tien reizen vond een serieuze opstand plaats onder de Afrikaanse slaven.

Het Nederlandse aandeel in de handel bedroeg ongeveer 5%. Heel duidelijk is schrijver Marcel van Engelen erover dat de slaven meestal aangevoerd werden door rasgenoten. Jammer genoeg menen sommige mensen die vinden dat “het met onze rol in die zielige slavernij allemaal wel wat mee viel” hierin een extra argument te vinden voor hun gelijk. Wie het boek goed leest ontdekt dat het wel wat genuanceerder ligt.

Net zomin als de Europeanen waren de Afrikanen heiligen. Er werden, evenals elders op de wereld, oorlogen gevoerd en tegenstanders gevangen genomen. Vaak werden deze tot slaaf gemaakt en gedwongen tot arbeid bij de overwinnaars. Toen in de bestaande handel met de blanken bleek dat deze slaven ook gebruikt konden worden als ruilmiddel, maakte men daar gebruik van. Toen eenmaal in de nieuwe wereld de plantagecultuur goed op gang was gekomen, ging er vandaar een prikkel uit naar Afrikanen om binnen hun eigen land op slaven rooftocht te gaan.

Een grootste gedeelte wat er aan narigheid is gebeurd, begon pas op het moment dat de slaven aan de Nederlandse handelaars overgedragen werden voor vervoer naar de nieuwe wereld en daar onder slechte omstandigheden te werk werden gesteld. De verdienste van de schrijver is dat hij alle feiten heeft willen benoemen en niet bang was in één of ander ja/nee kamp ingedeeld te worden.

In zijn slotwoord schrijft Marcel van Engelen: “De Afrikaanse betrokkenheid doet niets af aan de verantwoordelijkheid van de Europeanen of het immorele karakter van hun daden. De Afrikaanse rol maakt de geschiedenis van de slavernij voor de slachtoffers en hun nakomelingen niet minder pijnlijk”.

 

 

  Auteur: Jacob van der Burg




       

Liet Nederland de Goslar zinken ?

Liet Nederland de Goslar zinken

       Vorige pagina

Iedereen die Suriname bezoekt is vertrouwd met het beeld van het wrak van het Duitse schip de Goslar, liggend in de Surinamerivier. In het kort is dit het verhaal.
Op 5 september 1939, vijf dagen na het uitbreken van de vijandelijkheden tussen Engeland en Duitsland, kwam een donker schip de Surinamerivier opvaren. Dit was het 6000-tons Duitse schip de Goslar.

Het schip ankerde voor de kade van Paramaribo en de kapitein vroeg toestemming met het schip in Suriname te blijven omdat hij, gezien de oorlogssituatie, de terugreis naar Duitsland te gevaarlijk achtte.


De toestemming werd verleend. Een deel van de bemanning (Chinezen) was het hiermee niet eens en begon te muiten. Zij werden afgevoerd door de autoriteiten. Tussen de overgebleven bemanningsleden en sommige inwoners van Paramaribo, waaronder Politiecommissaris Van Beek, ontstond in de loop van de tijd een soort vriendschapsband.


Dit veranderde toen op 5 mei 1940 het Duitse leger Nederland binnenviel. Overeenkomstig de instructies begaf de commissaris zich naar het schip om de aanwezige Duitsers te interneren. Aangekomen op het schip bleek dat op order van de kapitein, men het schip water liet maken waardoor het onwrikbaar op de bodem van de rivier, net naast de vaargeul, terecht kwam. Dit kwam voort uit de opdracht van de Duitse regering dat een Duits schip niet in bruikbare staat in vijandelijke handen mocht vallen.De Duitsers werden geïnterneerd en pas na de oorlog vrij gelaten.


Nadien werden verscheidene plannen gemaakt en pogingen ondernomen het schip te lichten. Telkens zonder resultaat.

Het verhaal kreeg een aanvulling toen in 2017 een boek verscheen “De Goslar affaire”, geschreven door de arts/onderzoeker Nizaar Makdoembaks. De schrijver was als arts werkzaam geweest in de Bijlmer, maar na zijn vertrek daar heeft hij zich toegelegd op het schrijven van boeken over zaken die zijns inziens te weinig aandacht krijgen en vaak gerelateerd zijn aan machtsmisbruik en verdraaiing van feiten.

In zijn boek vermeldt hij de ontdekking dat er rond de Goslar iets vreemds aan de hand is geweest. Vanuit Nederland hadden alle autoriteiten in de door Nederland bestuurde gebieden een speciale boodschap gekregen. Dit betrof de aanwezigheid van vijandelijke schepen in de havens. Voorkomen moest worden dat de bemanning hun schip zou laten zinken om zodoende de activiteiten in de havens te belemmeren/ blokkeren.

Makdoembaks ontdekte dat een dergelijke opdracht, op hoger bevel, nooit naar Suriname was gestuurd. Hij vermoedde dat Nederland een blokkade van de rede van Paramaribo door een scheepswrak juist een uitstekend middel vond om eventuele vijanden te verhinderen grootscheeps aan land te gaan. Zowel de Duitsers als de Nederlanders zouden aldus gebaat zijn bij het zinken van de Goslar.

Het boek werd op 5 december 2017 door de schrijver gepresenteerd. Hij verbond aan zijn verhaal de conclusie dat Nederland verantwoordelijk is voor het zinken van de Goslar en dat een eventuele berging door Nederland betaald zou moeten worden.

In hoeverre dit reëel is moet blijken. Wel waarschuwde een aanwezige geoloog dat men voorzichtig moet zijn bij het lichten omdat dan de stroom in de rivier gewijzigd wordt en er mogelijk juist daardoor ondiepte in de vaargeul kan optreden.

Nu er in Suriname weer gepraat wordt over het uitdiepen van de dichtslibbende vaargeul, lijkt het verstandig ook deze mening mee te nemen.

 

 

  Auteur: Jacob van der Burg




       

Louis Alfredus Gerardus Doedel

Toen Louis nog Louis Doedel was

       Vorige pagina

Vanwege zijn tragische internering door Kielstra in 1937 wordt weleens vergeten hoe belangrijk het werk van Louis Doedel was.

Louis Alfredus Gerardus Doedel (1905-1980) is in Suriname op jonge leeftijd actief in de Surinaamse sociale beweging. Daardoor wordt het steeds moeilijker voor hem aan de slag te komen en ziet hij zich gedwongen in 1928 naar Curaçao uit te wijken.

Doedel vindt er werk bij de Belastingdienst. Hij is er betrokken bij de oprichting van het RK Patronaat en wordt bestuurslid van de belangenverenigingen ‘Surinamers op Curaçao’ en ‘Antillianen, Nederlanders en Surinamers’. Een verkeersovertreding is aanleiding om hem te arresteren, en hij wordt onder de noemer “gevaarlijk voor de politieke rust” in 1931 op de boot naar Suriname gezet.

Terug in Suriname blijkt dat de wereldcrisis ook daar behoorlijk heeft toegeslagen. Met hem zijn ook 200 op Curaçao werkeloos geraakte Surinamers teruggekeerd en hij richt er met hen het Surinaams Werklozen Comité op. Hij organiseert een protestdemonstratie die 3000 deelnemers kent.

Datzelfde jaar wordt op 28 oktober een ‘algemene grote volksvergadering van werklozen’ gehouden. Deze vergadering mondt uit in het zogenaamde ‘hongeroproer’ waarbij er door de autoriteiten geweld wordt gebruikt. Er valt een dodelijk slachtoffer en er zijn twee gewonden.

Eind 1931 wordt onder aanvoering van Doedel het Surinaams Arbeiders Verbond (SAV) en het Surinaams Werklozen Strijd Comitè opgericht. Er worden contacten onderhouden met Anton de Kom, die op 4 januari 1933 vanuit Nederland naar Suriname komt.

In 1936 krijgt Doedel twee weken gevangenisstraf opgelegd wegens smaad, en in 1937 wordt hij door Kielstra opgesloten in het krankzinnigengesticht.

Hij wordt in 1980 vrijgelaten als een geknakt man en overlijdt enkele dagen later. Parlementsvoorzitter Emile Wijntuin zorgt er voor dat door de Surinaamse regering zijn begrafenis op RK-begraafplaats wordt betaald. Later schrijft Emile een boek over Doedel met de titel Louis Doedel, Martelaar voor het Surinaamse Volk. Doedel’s nicht Nina Jurna maakte de documentaire Louis Doedel vakbondsleider en held.

LOUIS ALFRED GERARDUS DOEDEL * 26-07-2905 + 10-01-9080

Doedel zag op 26 juli 1905 in Paramaribo het levenslicht. Na het doorlopen van de ULO ging hij aan de slag als leerling-schoenmaker en typograaf. In mei 1928 vertrok hij naar Curaçao, alwaar hij bij de belastingdienst ging werken.

Doedel is altijd een rechtgeaard socialist geweest. Op Curaçao ontplooide hij zijn eerste politieke activiteiten. De autoriteiten waren hier niet blij mee en in 1931 werd hij van het eiland gezet. Officiële reden: hij had links, in plaats van rechts over de Wilhelminabrug gelopen!

In Suriname zette Doedel zijn politieke activiteiten onvermoeid voort. Armoede, honger en ellende leidde op 28 oktober 1931 tot een uitbarsting van volkswoede, die de geschiedenis in zou gaan als de hongeroproer. De koloniale overheid maakte een einde aan de volksopstand door op de menigte te schieten. Dit resulteerde in één dode en twee gewonden.
Surinaamsche Algemene Werknemers Organisatie
Doedel liet zich hier niet door ontmoedigen en in 1932 richtte hij met enkele anderen de Surinaamsche Algemene Werknemers Organisatie (SAWO) op.

Vanwege zogenaamde ‘antigodsdienstige propaganda’ besloot de koloniale overheid de SAWO te verbieden. Hierop richt Doedel het Surinaamse Arbeidersverbond en het Surinaams Werkenloze Commite op.

Toen Doedel in 1937 een politiek getinte petitie aan de gouverneur wilde aanbieden, kreeg hij geen toegang tot het paleis. Blanken werden echter wel continu en probleemloos toegelaten. Naar verluidt maakte Doedel zich daarop helemaal wit door zich met pemba doti, een witte kleisoort, in te smeren. Dit in het kader van: “Wanneer alleen blanken toegang hebben, dan zal ik ze een blanke Doedel geven”.

Blote billen

Hij ging daarna weer naar het paleis, maar de bewakers stuurde hem direct weg. Doedel werd boos en liet zijn broek zakken. Hij toonde zo zijn blote billen aan gouverneur Kielstra. Al snel werd Doedel opgepakt door de politie voor het verstoren van de penbare orde.

Vervolgens liet Kielstra hem zogenaamd ter observatie, aanvankelijk voor een periode van 28 dagen, opnemen in Lands Psychiatrische Inrichting (LPI). De zogenaamde observatie zou uiteindelijk tot 1980 voortduren

Doedel stierf een paar dagen na zijn vrijlating.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

 

Kielstra

 

Kielstra heeft van 1933 tot 1944 in Suriname gediend. Hij heeft weinig goed en veel slecht gedaan. Ook maakte hij misbruik van zijn macht. Hij was iemand die geen tegenspraak duldde en altijd zijn zin moest krijgen.

Aanhanger van een krachtig koloniaal bestuur, die tamelijk autoritair optrad. Wees het bestaande assimilatiebeleid af en bevorderde de vorming van dorpsgemeenschappen van Hindoestanen en Javanen, die kleinschalige landbouw tot ontwikkeling moesten brengen. Gebruikte ook de nieuwe staatsregeling ten voordele van die bevolkingsgroepen en vervreemde zich van de creolen. Verloor tijdens de oorlog het vertrouwen van de Staten van Suriname.

 

 

 

 

 

 





       

Slavensmokkel – Fransche brik La Légère

De Fransche brik La Légère

       Vorige pagina

Een brik is een snelvarend oorlogsschip. Het werd ook gebruikt als snelle slavenhaler. In 1823 werd in Suriname de smokkel van slaven met De Fransche brik La Légère ontdekt. Het zou een uitgebreid vervolg krijgen.

Verantwoordelijk voor de aanvoer was Charles Beverley die ze in Martinique had ingeladen met als bestemming Charles Humeau La Martinie, koopman te Paramaribo, die eigenaar was van katoenplantage Boksweide/Boxweide .

Met het schip werden door schipper Pierre Poussin 353 tot slaaf gemaakten aangevoerd. Nadat het was onderschept door de Engelse kapitein sir Thomas Cochrane werd het schip –dat onder Franse vlag voer- uitgewezen, maar het ging voor anker voor plantage Jaglust.

Nagebouwd model “Fransche brik La Légère”

Het Nederlandse schip de Kemphaan constateerde dat er ter plekke een aantal van de slaven werd afgevoerd voor eigen gewin. Hierna werd het schip in beslag genomen en moest de vraag worden beantwoord wat te doen met de rest van de aangevoerde tot slaaf gemaakten.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

 

 

 

 

De brig: “one eye wind”

De brik is een betrekkelijk klein, snelvarend zeilschip met twee masten dat al in de 16e eeuw voorkwam. Het werd in de 17e eeuw als bewapende koopvaarder en slavenhaler gebruikt door de VOC. Als oorlogsschip was het type tot in de negentiende eeuw in gebruik, bewapend met 12-18 kanonnen.

Een brik heeft twee vierkantgetuigde masten, aangevuld met stagzeilen. Achter de grote mast bevindt zich een langsscheepszeil, het ‘brikzeil’.

De brik moest bakzeil halen toen het stoomschip zijn intrede deed. De brik had moeite om aan de wind te varen en had een relatief grote bemanning nodig voor een schip van tamelijk geringe omvang.

 

 

 

 





       

Waterloo en Robert Kirk

Robert Kirk’s Waterloo

       Vorige pagina

Vanuit de erfenis van James Balfour kwam Robert Kirk in het bezit van plantage Waterloo. Na de afschaffing van de slavernij maakte hij er een doorstart met contractanten.

Begin 19e eeuw maakte James Balfour van suikerplantage Waterloo een voor die tijd moderne plantage. Balfour was volgens de beschrijving van August Kappler in 1838 onmetelijk rijk en liet zich verzorgen door een mulattin die hij bij een slavin had verwerkt.

Balfour overleed in 1841 en hierna werd zijn nalatenschap bestierd door zijn neef Robert Kirk(e), die later ook eigenaar werd van Waterloo.

Door toedoen van Robert Kirk (1815-1894) werd plantage Waterloo de modernste van Suriname, en deze was in 1859 reeds voorzien van vacuumpans en centrifugaaltoestellen. Ook het naastliggende Hazard was van dergelijke inrichtingen voorzien. In datzelfde jaar kwam de EBG post op de plantage tot stand. Deze post werd opgericht op het verzoek van Robert Kirke en de benodigde grond werd door hem geschonken. Omstreeks 1870 werd er een grote kerk gebouwd.

Ten tijde van de emancipatie in 1863 bestond de slavenmacht van Waterloo uit 241 mensen. Na de afloop van het staatstoezicht schakelde Waterloo over op contractarbeid. Inmiddels was de plantage Nursery aangekocht, en de drie aaneengesloten plantages vormden feitelijk één groot bedrijf. Kirk overleed in 1894, maar zijn plantages zouden floreren tot de wereldcrisis in de dertiger jaren van de 20e eeuw.

In de jaren zestig werd door de arbeiders met adviezen van Eddy Bruma een strijd gevoerd met de toenmalige eigenaar die bekend staat als “de slag om plantage Waterloo”. Deze strijd kende uiteindelijk alleen maar verliezers.

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis