De West

‘<b>De West'</b> is een in Suriname verschijnend Nederlandstaligdagblad.

De krant werd op 1 oktober opgericht door William Kraan. De soms antikoloniale stukken die in de krant verschenen zorgden voor conflicten met de overheid. Zo werd in 1913 vervolging ingesteld tegen Kraan vanwege belediging van de gouverneur wat uiteindelijk met een sisser afliep omdat hij gratie kreeg. Voor de Tweede Wereldoorlog had het blad een oplage van circa 1400 stuks. In die periode waren de kranten Suriname en De West de grootste in Suriname. Kraan was in die periode ook lange tijd parlementslid; eerst van de Koloniale Staten en later de opvolger hiervan: Staten van Suriname.

Tijdens die oorlog kregen alle kranten in Suriname te maken met toenemende druk van de toenmalige gouverneur Johannes Kielstra. Deze kreeg na het afkondigen van de staat van oorlog en beleg extra bevoegdheden, die hij gebruikte om meerdere tegenstanders te laten opsluiten, onder wie het Statenlid Wim Bos Verschuur.

Na de oorlog groeide de oplage naar 4000. Het dagblad De West werd in die tijd gezien als de spreekbuis van de NPS.





       

Cojo (Codjo)

Cojo (Codjo), Mentor en Present zijn drie huisslaven die alledrie in Paramaribo wonen. Over deze jongens is niet veel meer bekend dan dat Mentor illegaal Suriname is binnengebracht, dat wil zeggen: nadat de slavenhandel in 1808 verboden was. Hij is in 1812 in Afrika geboren en is ten tijde van het misdrijf twintig jaar oud. Cojo behoort toe aan mevrouw G.P. Heilbron, ‘een vrije negerin met een rug als een molenpaard en zoo kwaad als eene furie’ volgens de schrijver Teenstra. Present is eigendom van mevrouw M.M. Smith.

Over wat de jongens precies hebben misdaan om zo gruwelijk gestraft te worden, bestaan verschillende verhalen. Volgens het nieuwste onderzoek moet tenminste het volgende zijn gebeurd. Cojo, Mentor en Present zijn gevlucht omdat ze iets gedaan hebben waarvoor ze zeker straf zouden krijgen van een van hun meesteressen.

We weten niet wat wat het was, maar slaven kunnen de vreselijkste straffen krijgen, ook voor zoiets kleins als niet genoeg koekjes verkocht hebben voor de meesteres. Ze besluiten te vluchten en zich schuil te houden in het Picornibos, waar meer gevluchte slaven veiligheid zoeken. Maar het leven als gevluchte slaaf is niet gemakkelijk. Het is koud in het bos en er is niet genoeg te eten. Om zich in leven te houden, stelen de gevluchte slaven regelmatig eten uit huizen en magazijnen in de binnenstad. Ook Cojo, Mentor en Present plegen meerdere diefstallen. Dan maken ze een plan om in een keer een grote slag te slaan door eerst als afleiding een brandje te stichten.

Cojo, Mentor en Present worden tegenwoordig niet herdacht als brandstichters, maar als moedige slaven die een daad wilden stellen tegen het onrecht van de slavernij.

Ze zijn nu in de ogen van velen vrijheidsstrijders. Sinds 1993 worden de drie jongens jaarlijks in Paramaribo herdacht. Er wordt dan een plengoffer uitgevoerd en iemand leest een gedicht voor. De Heiligenweg is inmiddels naar hen vernoemd en heet het Kodjo, Mentor en Presenti-pren (plein).

Bron: Ninsee





       

Charles Désiré Lu-A-Si

Charles Désiré Lu-A-Si,

Zijn bijnaam in het verzet was “Shanghai Express” (1911–1942) kwam in 1931 naar Nederland en trouwde aldaar in 1936. Hij zou een exponent zijn geweest van de Bond van Surinaamse Arbeiders.

Reeds in het vroege begin van de Duitse bezetting trad hij toe tot het verzet waarvoor hij verschillende ondersteunende werkzaamheden heeft verricht. Zijn bijnaam in het verzet was “Shanghai Express”, hij hield zich tijdens de oorlog bezig met verzetsactiviteiten, zorgde voor de verspreiding van pamfletten en was medeorganisator van de Februaristaking.





       

Bisschop Jacobus Grooff

Grooff

Bisschop Jacobus Grooff (1800-1852) zou aan de leprabestrijding in Suriname de nodige aandacht schenken.

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon, tekstGrooff studeerde theologie aan het groot-seminarie in Warmond. Zijn priesterwijding vond plaats op 9 augustus 1825. Vervolgens vertrok hij als missionaris naar Suriname. In Suriname volgde hij in 1826 de eerste Bisschop Martinus van der Weijden op, die een jaar na aankomst was overleden na een reis naar melaatsen oord Batavia.

In 1833 verrichte Grooff een bijzondere verrichting door met Mentor, Codjo en Present vlak voor hun terechtstelling te bidden. In 1839 ontmoette Grooff in Nederland Petrus ‘Peerke’ Donders die hij ertoe zou bewegen om zich in Suriname te ontfermen over de leprozen.

In 1842 werd Grooff benoemd tot apostolisch vicaris van Batavia (Indonesië) en titulair bisschop van Canea. Hij verliet Suriname, werd in 1844 in Leiden tot bisschop gewijd en arriveerde in 1845 in Batavia.

Grooff kwam spoedig in conflict met het Nederlands-Indische gouvernement, onder meer inzake de benoeming van pastoors in Semarang en Soerabaja. Toen hij weigerde aan de eisen van het gouvernement te voldoen werd hij in 1846 in zijn functie geschorst en uitgewezen uit Nederlands-Indië.

Grooff werd op 1 december 1846 benoemd tot apostolisch visitator van Suriname, met behoud van zijn bisschopstitel. Hij vertrok in mei 1847 naar Suriname, waar hij vijf jaar later overleed.

 

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis




       

Bond van Surinaamse arbeiders

De helden van de Bond van Surinaamse arbeiders

Albert Wittenberg

In Nederland waren tijdens de tweede wereldoorlog de nodige Surinamers actief in het verzet. Hieronder vallen o.a. Waldemar Nods (bekend door Sonny Boy) , Anton de Kom en ook Abraham Fernandes, die tijdens de oorlog actief was voor verzetsgroep de Geuzen. De verzetshelden van de Bond van Surinaamse arbeiders verdienen apart de aandacht.

In de jaren dertig was in Nederland de Bond van Surinaamse arbeiders actief. Kennelijk geïnspireerd door Otto Huiswoud en Anton de Kom hadden ze een “communistisch” gedachtegoed. Het bracht ze ertoe zich te verzetten tegen het fascisme, en ze kwamen later in het verzetswerk terecht, met soms fatale gevolgen.

Namen in dit verband zijn o.a. Wilhelm Does, Hendrik Smit, Charles Desire Lu a si, August Sunkar, Iwan Hugo Kanteman, Christiaan de Montel, Jan Telegraaf en Albert Wittenberg. Over enkele van ze is meer bekend.

Charles Désiré Lu-A-Si, (1911–1942) kwam in 1931 naar Nederland en trouwde aldaar in 1936. Reeds in het vroege begin van de Duitse bezetting trad hij toe tot het verzet waarvoor hij verschillende ondersteunende werkzaamheden heeft verricht.

Zijn bijnaam in het verzet was “Shanghai Express”, hij hield zich tijdens de oorlog bezig met verzetsactiviteiten, zorgde voor de verspreiding van pamfletten en was medeorganisator van de Februaristaking. Hij is daarvoor opgepakt en afgevoerd.

Iwan Hugo Kanteman (1908-1945) werd in Albina geboren. Hij behoorde tot de groep Surinaamse zeemannen die begin 20ste eeuw naar Amsterdam kwam. Hij woonde vanaf 1934 met zijn gezin in Rotterdam, en kwam tijdens de oorlog weer in Amsterdam terecht waar hij tijdens WOII verzetswerk deed. Vanaf 1943 verspreidde hij De Waarheid, en in juni 1944 werd hij gearresteerd. Hij overleed begin 1945 in Buchenwald.

Christiaan de Montel (1903-1967) was in Suriname geboren. Toen de oorlog uitbrak ging zijn gezin in het verzet en helpt Joden onderduiken. Uiteindelijk wordt door verraad Chris op 3 maart 1943 gearresteerd. Hij kwam terecht in Vught en Sachsenhausen. Zijn joodse vrouw overleeft de oorlog niet. De ernstig verzwakte Chris en zijn dochters Louise en Debora wel. Dochter Louise de Montel kende een succesvolle carrière als zangeres en is de moeder van Heddy Lester en Frank Affolter.

Albert Wittenberg werd in 1909 geboren in Suriname en ging varen voor de KNSM. In Amsterdam leerde hij zijn vrouw Janna Jetten kennen die uit een een rood gezin komt. Zoon Albert wordt in juni 1933 geboren en Janna Christina, twee jaar later. Vader Albert werkte bij de brandweer.

Toen de oorlog uitbrak werd hij aangenomen bij de Luchtbeschermingsdienst, die geregeld als dekmantel diende voor illegale activiteiten. Tijdens de oorlog laten de Wittenbergs een joods kind, Betty, bijschrijven in hun trouwboekje. In mei 1944 wordt Albert opgepakt. Een dag voor de bevrijding komt hij om het leven bij een Duitse wraakactie.

 

 

 

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis




       

Eduard Johan (Eddy)

Eduard Johan (Eddy) Bruma (Paramaribo, 30 mei 1925 – aldaar, 6 november 2000) was een Surinaams jurist, schrijver en politicus.

    

Eddy Bruma (1975)Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij gevangen vanwege zijn nationalistische activiteiten. Na die oorlog studeerde hij rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en was hij in 1951 betrokken bij de oprichting van de Surinaamse culturele vereniging Wie Eegie Sanie. Na terugkeer in zijn moederland in 1954 vestigde hij zich als advocaat in Paramaribo. Daarnaast was hij in Suriname ook politiek actief.

Zo stichtte hij in 1959 de Nationalistische Beweging Suriname (NBS) die in 1961 opging in de creoolse Partij Nationalistische Republiek (PNR). De PNR streefde naar onmiddellijke onafhankelijkheid terwijl de eveneens creoolse NPS onder leiding van Pengel dat pas op lange termijn wilde. In dat jaar behaalde de PNR bij de Staten-verkiezingen geen zetel.

Bij de verkiezingen van 24 oktober 1969 haalde zijn partij wel een zetel waarna Bruma als Statenlid oppositie voerde tegen de regering onder leiding van premier Sedney. Verder was hij voorzitter van de in 1970 opgerichte vakbond Centrale 47 (C-47; een tegenhanger van de meer aan de NPS gelieerde Moederbond) totdat hij werd opgevolgd door Fred Derby.

In 1973 was de PNR één van de partijen die deel uitmaakte van de Nationale Partij-kombinatie (NPK) die 22 van de 39 zetels haalde. Na die verkiezingen was Eddy Bruma vier jaar lang de minister van Economische Zaken in het kabinet-Arron terwijl zijn partijgenoot Eddy Hoost minister van Justitie werd.

Tijdens die regeerperiode werd het ideaal van Bruma verwezenlijkt: Suriname werd in 1975 onafhankelijk van Nederland. Bij de parlementsverkiezingen van 1977 lukte het de PNR niet om een zetel te bemachtigen.

Na de staatsgreep in 1980 onder leiding van Desi Bouterse was Bruma de formateur van de regering Chin A Sen waar naast burgers ook leden van de Nationale Militaire Raad (NMR) in zaten. De arts Chin A Sen was lid van de PNR maar tot dan niet politiek actief.

Hierna was hij vooral actief als advocaat en gaf hij soms politieke adviezen. Zo gaf president Wijdenbosch zijn neef Bruma in 1996 de leiding over de evaluatie van de betrekkingen tussen Suriname en Nederland.

Eddy Bruma leidde in de jaren ’50 de culturele organisatie Wie Eegie Sanie, aanvankelijk in Nederland, later in Suriname. Hij was een voorvechter van het Sranan en mederedacteur van het Surinamenummer van het Friese tijdschrift De Tsjerne (1952) waarin zijn verhaal ‘De fuik’ verscheen over de leegloop van het arme kokosdistrict Coronie – later afgedrukt in de bloemlezingen Verhalen van Surinaamse schrijvers (1989) en Mama Sranan (1999) .

Bruma schreef voorts gedichten (opgenomen in de bloemlezingen Creole Drum (1975) en Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995) en toneelspelen die zich in de slaventijd afspelen: De geboorte van Boni (1952 in Nederland opgevoerd, in 1957 in het Sranan in Suriname) over de guerrillaleider Boni, zoon van een gevluchte slavin, die strijd voerde tegen de koloniale overheerser en de slavernij. Later volgde het stuk Basja Pataka (Suriname 1958). Hij schreef en regisseerde voorts Anansietori met veel dans en muziek uit de creoolse traditie.





       

Dario en Flora

Dario en Flora

Johannes Helstone stimuleerde in Suriname jeugdige muzikanten tot een carriere in de klassieke muziek. Met Daan en Flora Samuels trof hij twee grote lokale talenten. Zij werden later bekend onder de namen Dario en Flora Saavedra, maar hun sterrendom was helaas van korte duur.

Daan (Daniel) Samuels werd geboren in 1876. Zijn moeder was een Pos, en hij kreeg les van haar broer. Toen hij onder de hoede van Helstone kwam kreeg hij het advies om een opleiding in Europa te volgen. Daniel mocht zich na zijn opleiding professor noemen en nam de artiestennaam Dario Saavedra aan.

In 1907 vierde Dario grote successen met zijn toernee in de West. In 1909 ging hij met zijn zus naar Berlijn waar ze op zijn advies aan een opleiding zou starten. Hij werd ter plekke ernstig ziek, en ging daarom op de boot retour Suriname samen met zijn zus. Aan boord kwam hij in haar armen te overlijden.

Johannes Helstone

De ontdekker van Dario en Flora, Johannes Nicolaas Helstone (1853-1927), is Suriname ’s bekendste klassieke muzikant. Hij werd geboren in Berg en Dal aan de Surinamerivier. Al vroeg werd hij ontdekt als een -vooral muzikaal- begaafde jongen.

Hij werd aanvankelijk opgeleid als onderwijzer, en volgde muzieklessen bij het musici-echtpaar Williger en de Hernhutter zendeling Heyde. In 1880 zette hij zijn opleiding voort in Leipzig in Duitsland, waar hij nadien nog drie keer kwam (1892, 1900, 1907).

Na zijn tweede verblijf van 1892-1894 studeerde hij cum laude af. Helstone sprak zes talen en kon als muzikant contracten krijgen in diverse grote steden. Hij koos ervoor zich in Suriname te vestigen waar hij zich o.a. wijdde aan de Surinaamse taal -het Sranantongo- en het opleiden van jeugdig muzikaal talent.

Flora Samuels is in 1884 geboren. Zij kreeg net als haar broer pianoles van Helstone. Op advies van haar broer ging ze studeren aan het conservatorium in Berlijn.

Na het eerdervermelde tragische overlijden van haar broer ging ze weer terug naar Berlijn, en na haar afstuderen in 1911 deed ze in de grote Duitse steden meerdere optredens. Ze vestigde zich in Berlijn, en in 1915 vierde ze er muzikale triomfe.

Ze gaf aan graag weer herenigd te willen zijn met haar familie, maar het mocht niet zo zijn. Per telegram kreeg de familie te horen dat ze in Europa na een medische ingreep was overleden.

 

Johannes Helstone – grafsteen

 

Het Helstonemonument in Paramaribo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis




       

Louis E. Nelson

Nelson

Louis E. Nelson was begin 20e eeuw een van de gezichtsbepalende figuren in de Surinaamse gemeenschap, maar is nog altijd niet algemeen bekend. Hoog tijd dus om een aantal van zijn prestaties nader te belichten.

Louis E. Nelson was de voorzitter van het comité dat belast was met de voorbereiding en organisatie van de viering van de Keti Koti herdenking van de 50 jaar “manspasi” in 1913. Tot de leden van dit comité behoorde destijds ook de als professor aangeduide Johannes Helstone.

Bij de firma C. Kersten werd een gedenkplaat geplaatst “tot aandenken aan het Gouden Emancipatiefeest”. Bij het gouden Emancipatiefeest werd in Nickerie in 1913 een stenen zuil opgericht op het Willemsplein.

Een ander belangrijk wapenfeit was zijn rol als pionier en “stonfutu” van de Anciënt Order of Foresters (A.O.F) in Suriname. Sinds 1886 zijn in Suriname deze Foresters actief. De vestiging van de broederschapsvereniging Court Charity van de A.O.F. in Suriname was in 1886 een initiatief van J.F. Waakhuizen.

Nelson was jarenlang chief ranger van deze respectabele orde. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Gijsbertus (Bert) Nelson, de grootvader van de muzikale John Zeko, Jenny en Renee Nelson. Hun muzikaliteit hebben ze niet van een vreemde; in 1914 componeerde Louis E. Nelson voor Court Charity een feestlied.

Louis E. Nelson overleed in 1929. Zijn naam is gegraveerd in de 1 van de eerste 4 bouwstenen van het “Court Charity” aan de Burenstraat 26 in Paramaribo.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Met dank aan John Zeko Nelson)

  Auteur: Nico Eigenhuis




       

Vereniging Ons Suriname

100 Jaar VOS

De Vereniging Ons Suriname (VOS) bestaat 18 januari 2019 precies honderd jaar. Het is de aanleiding voor de nodige activiteiten.

De oprichter van deze oudste Surinaamse vereniging in Nederland is Julius Jacob Gemmel (1886-1933) een Surinaamse onderwijzer. Julius Jacob kwam naar Nederland om verder te studeren en werd in Amsterdam gemeenteambtenaar, wat in die tijd uitzonderlijk was.

Nadat hij de VOS had opgericht trouwde hij in juli van datzelfde jaar in Amsterdam met Pauline Christine Marie Teupken. De VOS werd opgericht om sociale contacten tussen Surinamers te bevorderen, en om werkloze Surinamers – veelal ex-zeelieden van de Nederlandse koopvaardijvloot – te begeleiden.

Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de VOS zich onder voorzitter Otto Huiswoud tot broedplaats voor de onafhankelijkheid. In de jaren zestig fuseerde de VOS met de nationalistische actiegroep Wie Eegie Sanie, waarna de politieke betrokkenheid verder toenam.

In 1964 valt het bestuur uiteen nadat een aantal bestuursleden zich uitsprak tegen wat genoemd werd de ‘Pengel-dictatuur’ in Suriname. In het nieuw gevormde bestuur nam Hugo Olijfveld plaats die in 1967 op 32-jarige leeftijd is verongelukt. Nadien kreeg het verenigingsgebouw in Amsterdam-Oost de naam Hugo Olijfveld-huis.

De VOS heeft ten doel het bewustzijn van de liefde voor Suriname te verhogen, en staat open voor alle Surinamers. De VOS houdt regelmatig schrijversavonden en boekpresentaties .

Een drukbezochte bijeenkomst van Ons Suriname

 

In haar galerie Nola Hatterman wordt kunst gepresenteerd van Surinaamse kunstenaars in Nederland of Suriname woonachtig. De vereniging organiseert daarnaast samen met de Kroonvaarders de jaarlijkse plechtigheid op 4 mei bij het KNSM-monument in Amsterdam, waarmee de zeelieden van Surinaamse, Antilliaanse en Arubaanse afkomst worden herdacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog sneuvelden terwijl zij dienstdeden op Nederlandse koopvaardijschepen, die door de geallieerden werden ingezet voor bevoorrading.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis




       

Gülcher

Gülcher

Afbeelding kan het volgende bevatten: boom, lucht, plant en buiten

Theodor Gülcher jr. (1777-1839) kwam via zijn schoonfamilie Nobel in het bezit van diverse plantages in Suriname waaronder Rust en Werk, Lust tot Rust en Einde Rust. De stamreeks van deze adellijke familie begint met Johan Gülicher die de Gülckershof bij Haan (Rheinland) bezat en vermeld wordt tussen 1599 en 1642.

Zijn vader Theodor Gülcher senior (1743-1806) vestigde zich rond 1768 in Amsterdam als bankier en als verbindingsman met de Berlijnse uitgever Friedrich. Hij woonde de laatste jaren van zijn leven in het “Huis met de Kolommen” (Herengracht 502), de huidige ambtswoning van de burgemeester van Amsterdam.

Inmiddels is voor de deur van dit pand een gedenksteen te vinden ter herinnering aan de slavernij, omdat in ditzelfde pand eerder Paulus Godin woonachtig was, een bewindhebber van de West-Indische Compagnie (WIC) en tevens directeur van de Sociëteit van Suriname.

De eerdergenoemde plantages van Gülcher jr in Suriname zijn aangelegd door voormalig gouverneur Crommelin. In 1774 werden de plantages overgenomen door Pieter Constantijn Nobel, die overleed in 1788. De plantages kwamen hierna in het bezit van zijn dochter Constantia Gerhardina die in 1800 trouwde met Theodor Gülcher jr. Hun oudste zoon maakte van Rust en Werk een centrum voor de Evangelische Broedergemeente.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis